Jacob Carel van de Kasteele

politicus

Jacob Carel van de Kasteele (Den Haag, 26 maart 1780 - Den Haag, 1 juli 1835) was een Nederlandse advocaat en politicus.[1]

Jacob Carel van de Kasteele
Portret door I.C. Sterk
Algemene informatie
Geboren Den Haag, 26 maart 1780
Overleden Den Haag, 1 juli 1835
Partij Regeringsgezinden
Politieke functies
1822-1824 Burgemeester van Den Haag
1824-1835 Wethouder van Den Haag
1824-1835 Lid Tweede Kamer
Biografie op Parlement.com
Portaal  Portaalicoon   Politiek
Nederland

FamilieBewerken

Van de Kasteele was een zoon van mr. Pieter Leonard van de Kasteele (1748-1810) en Geertruid Margaretha Craeijvanger (1749-1780). Hij trouwde met Machtilda Elisabeth Maria Jacoba van Bosvelt (1787-1864), uit dit huwelijk werden zestien kinderen geboren.[2] Net als zijn vader was hij niet alleen politiek actief, maar hij schreef en publiceerde ook gedichten. Hij was lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.

LoopbaanBewerken

Van de Kasteele studeerde Romeins en hedendaags recht aan de Leidse hogeschool, hij promoveerde in 1801 op het proefschrift Sive exercitationes quaedam de ultimis voluntatibus rite interpretandis. Hij vestigde zich als advocaat in zijn geboorteplaats. Hij werd advocaat-fiscaal van het Hooggerechtshof (1808-1814) en was vervolgens rijksadvocaat (1814-overlijden).

In zijn politieke loopbaan was hij gemeenteraadslid (1819-1835), een van het viermanschap van burgemeesters (1822-1824) en aansluitend wethouder (1824-1835) in Den Haag. Hij werd verkozen tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (1824-1835). Hij behoorde tot de regeringsgezinden. Hij werd door Willem I benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Daarnaast was hij van 1814-1828 bestuursvoorzitter van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag.

Van de Kasteele overleed op 55-jarige leeftijd.

PublicatiesBewerken

  • 1801 Sive exercitationes quaedam de ultimis voluntatibus rite interpretandis (dissertatie)
  • 1821 Het 's-Gravenhaagsche Bosch (dichtwerk)
  • 1836 Nagelatene gedichten Den Haag: J.P. Beekman