Hoofdmenu openen

Dryopteris villarii

Soort varen uit het geslacht Dryopteris (Niervaren)

KenmerkenBewerken

Dryopteris villarii is een overblijvende, hemikryptofiete varen met een korte, verticale of opstijgende dikke wortelstok, bedekt met zachte, brede schubben. De bladstelen staan in nauwe bundels bij elkaar, zijn spaarzaam met lange, lichtbruine schubben bezet en bevatten vijf of meer vaatbundels.

De tot 40 cm lange bladen zijn smal driehoekig tot lancetvormig-driehoekig, leerachtig, donkergroen, de bovenzijde glimmend, één- of tweemaal geveerd of diep veerdelig. Steriele en fertiele bladen zijn gelijkvormig. Aan beide zijden van de bladspil staan tot 35 bladslipjes, die naar de top toe smaller en korter worden.

De sporendoosjes liggen in niervormige hoopjes in twee rijen langs de middennerf aan de onderzijde van het blad. Jonge sporenhoopjes worden afgedekt door gewelfde dekvliesjes. De sporen zijn rijp tussen juni en september.

HabitatBewerken

Dryopteris villarii is een plant van kalkrijke bodems in hooggebergtes, op zonnige maar koele en vochtige plaatsen. Vaak is hij te vinden tussen steenblokken op puinhellingen en tussen steenslag.

VoorkomenBewerken

Dryoteris villarii is een soort van gematigde en mediterrane streken van Europa en westelijk Noord-Afrika. De plant komt onder meer voor in de Jura, de Vercors, de Kalkalpen, Dinarische Alpen en het noordwesten van Groot-Brittannië (subsp. submontana).

Verwante en gelijkende soortenBewerken

Verwarring is gezien hun specifieke habitat nauwelijks mogelijk. In tegenstelling tot de verwante gewone mannetjesvaren (Dryopteris filix-femina) is het blad driehoekig, niet ovaal.

De plant kan door zijn bladvorm zeer gemakkelijk onderscheiden worden van de niet-verwante Cystopteris alpina, die in vergelijkbare omstandigheden voorkomt en een overlappend verspreidingsgebied heeft

Namen in andere talenBewerken