Detransitie is de stopzetting of omkering van een transgenderidentificatie of geslachtstransitie, hetzij met sociale, juridische of medische middelen. Sommige mensen stoppen tijdelijk. Indien dit gepaard gaat met spijt, spreekt men van transspijt.

Schattingen over de mate waarin detransitie plaatsvindt, lopen uiteen. Ook redenen voor detransitie variëren: het kan zijn dat men zich realiseert dat hun sekse wel gewoon overeenkomt met een genderidentiteit of dit kunnen gezondheidsproblemen zijn, de ontdekking dat de transitie de genderdysforie niet verlichtte, een onbevestigende sociale omgeving, financiële zorgen, het besef dat de genderdysforie van het individu een manifestatie was van een andere aandoening, of meningsverschillen (van politieke, religieuze, of filosofische aard) met de transgenderbeweging.[1][2]

Academisch onderzoek naar detransitie is schaars. Bij een Duits onderzoek gaf een groot aantal respondenten te kennen dat ze door hun detransitie geen steun meer kregen van de LHBT+-gemeenschap. Zij zeiden negatieve ervaringen te hebben opgedaan met de medische en geestelijke gezondheidszorg. Veel van hen hadden graag alternatieve behandelingen voor hun genderdysforie gevonden, maar volgens hen kon daar in LGBT+-omgevingen en met medici niet over gepraat worden.[3][4] Verschillende partijen in het debat over detransitie hebben melding gemaakt van intimidatie.

Achtergrond en terminologie

bewerken

Transitie is het proces waarbij een transgender persoon diens genderpresentatie en/of geslachtskenmerken verandert om in overeenstemming te zijn met het interne gevoel van genderidentiteit. Transitie omvat gewoonlijk sociale veranderingen (zoals kleding, persoonlijke naam en voornaamwoorden), juridische veranderingen (zoals veranderingen in wettelijke naam en wettelijk geslacht), en medische/fysieke veranderingen (zoals hormoonvervangingstherapie en geslachtsveranderende chirurgie).

Detransitie (ook wel retransitie genoemd) is het proces van het stoppen of ongedaan maken van een transgenderidentificatie of geslachtstransitie. Net als transitie is detransitie geen eenmalige gebeurtenis. Methoden van detransitie kunnen sterk variëren en kunnen veranderingen in iemands geslachtsuitdrukking, sociale identiteit, identiteitsdocumenten en/of anatomie met zich meebrengen. Desistance is een algemene term voor elke stopzetting, en wordt gewoonlijk specifiek toegepast op de stopzetting van transgenderidentiteit of genderdysforie. Degenen die detransitie ondernemen, worden detransitioners genoemd. Detransitie wordt soms geassocieerd met transitiespijt, maar spijt en detransitie vallen niet altijd samen.

De term detransitie is controversieel binnen de transgendergemeenschap.[bron?] Volgens Turban et al. is dit omdat het, net als bij het woord transitie, de "onjuiste implicatie inhoudt dat genderidentiteit afhankelijk is van genderbevestigingsprocessen". De term is ook verward met transitiespijt en wordt daardoor geassocieerd met een politiek gemotiveerde drang om de toegang van transgender mensen tot transitiegerelateerde gezondheidszorg te beperken.

Onderzoek en statistiek

bewerken

Goede onderzoeken naar detransitie zijn gering in aantal, van betwiste kwaliteit, en politiek controversieel. Schattingen naar de frequentie van detransitie en desistance lopen sterk uiteen, met opmerkelijke verschillen in terminologie en methodologie. Lange termijn-detransitie is nauwelijks onderzocht.[5] Studies naar transitiespijt of detransitie in verschillende populaties hebben verschillende (gemiddelde of mediane) verstreken tijden gevonden voordat deze optraden: een studie uit 2018 wees uit dat het gemiddeld tien jaar en tien maanden duurt om spijt te hebben vanaf het begin van de hormonale therapie,[6] en een studie uit 2014 van degenen die een operatie hadden ondergaan, vonden een mediane vertraging van acht jaar voordat ze om omkering van de wettelijke geslachtsstatus vroegen.[7] Een Brits onderzoek uit 2021 vond bewijs dat detransitie gemiddeld 4 tot 8 jaar na de transitie plaatsvindt.

Detransitie tijdens de transitie komt vaker voor in de vroege stadia van de transitie ten opzichte van de latere fase waarin operaties plaatsvinden.[5] Het aantal detransitioners tijdens die periode is onbekend, maar schattingen variëren van minder dan 1% tot 8%.[8]

Studies hebben hogere percentages van stopzetting van het transitieproces gemeld bij prepuberale kinderen. Een beoordeling uit 2016 van tien prospectieve vervolgstudies van de kindertijd tot de adolescentie vond percentages variërend van 61% tot 98%, met aanwijzingen dat ze in het algemeen minder dan 85% zouden kunnen zijn.[9][10] Deze onderzoeken zijn bekritiseerd omdat ze gevallen omvatten als 'desistance' waarbij het kind voldeed aan de criteria voor genderidentiteitsstoornis zoals gedefinieerd in de DSM-III of DSM-IV, hoewel sommige waarschijnlijk niet zouden hebben voldaan aan de bijgewerkte criteria voor genderdysforie in de DSM-5 (2013).[11] De eerste diagnostische criteria voor genderdysforie werden pas geïntroduceerd in de DSM-III (1980), dus eerder onderzoek naar desistance-percentages zou kunnen wijzen op een te hoog aantal desistance als gevolg van de opname van gender-niet-conforme kinderen zonder genderdysforie.[12] Bovendien waren twee onderzoeken naar desistance bij kinderen gebaseerd op gegevens van een Canadese kliniek die in 2015 werd gesloten na beschuldigingen dat ze zich bezighielden met conversietherapie door sociale transitie te ontmoedigen; dergelijke klinische praktijken kunnen ook leiden tot hoge percentages gerapporteerde desistance.[13][14] De meeste afvalligen uit hun jeugd identificeren zich later als cisgender en homo of lesbienne.[12]

Een posterpresentatie uit 2019[bron?] onderzocht de dossiers van 3398 patiënten die tussen augustus 2016 en augustus 2017 de Britse genderidentiteitskliniek bezochten. Davies en collega's zochten naar beoordelingsrapporten met trefwoorden die te maken hadden met spijt of detransitie. Ze identificeerden 16 personen (0,47%) die spijt betuigden of waren overgestapt. Van die 16 waren er drie (0,09%) permanent gedetransitioneerd. Daarnaast waren er 10 (0,29%) tijdelijk gestopt en later opnieuw in transitie gegaan. Uit een klinische beoordeling uit 2019 bleek dat 9,4% van de patiënten met opkomende genderdysforie tijdens de adolescentie binnen een periode van achttien maanden ofwel niet langer medische interventies wenste na te streven, ofwel niet langer het gevoel had dat hun genderidentiteit incongruent was met hun toegewezen geslacht bij de geboorte. Uit een studie uit 2021 waarin de aantekeningen van 175 volwassenen werden onderzocht die tussen september 2017 en augustus 2018 uit een Britse genderidentiteitskliniek waren ontslagen, bleek dat er 12 (6,9%) voldeden aan de criteria van de onderzoekers voor detransitie — dat wil zeggen, ze keerden terug naar het leven als hun toegewezen geslacht. Zes personen bleken ervaringen te hebben die 'overlapten' met detransitioners, maar werden niet als zodanig meegeteld voor dit onderzoek vanwege het vertonen van "verwarring van de genderidentiteit" tijdens de behandeling.

Van degenen die een die een geslachtsveranderende operatie ondergingen is onbekend welk percentage in detransitie gaat of transitiespijt krijgt. Een belangrijke parameter daarin is de termijn na transitie. Meet je bijvoorbeeld na een jaar of na 10 jaar? Een Nederlands onderzoek uit 2005 omvatte 162 volwassenen die een geslachtsveranderende operatie ondergingen, van wie er 126 een tot vier jaar na de operatie deelnamen aan vervolgbeoordelingen, over de ontbrekende 38 personen zijn geen gegevens bekend. Twee personen spraken hun spijt uit over de operatie, van wie er slechts één zei dat ze niet opnieuw in transitie zou gaan als ze de kans kreeg. De overige 124 hadden geen spijt.[15] Een meta-analyse uit 2021 van 27 onderzoeken concludeerde dat "er een extreem lage prevalentie van spijt is bij transgenderpatiënten na geslachtsbevestigingsoperatie".[16] Bij een onderzoek uit 2023 onder 1989 individuen die een geslachtsveranderende operatie hadden ondergaan, bleken zes van hen, 14 maanden na transitie, voor een sociale transitie naar hun oorspronkelijke geslacht te hebben gekozen dan wel hun transitie met een nieuwe operatie ongedaan te willen maken.[17]

Geïnformeerde toestemming en bevestiging van zelfdiagnose (beide nieuwere maar steeds vaker toegepaste modellen voor transgendergezondheidszorg) zijn bekritiseerd omdat ze niet voldoen aan de behoeften van degenen die uiteindelijk overstappen.

Er is kritiek geuit op de dichotomie "persistentie-desistance" als het negeren van redenen waarom de genderidentiteit van een persoon kan ophouden, afgezien van simpelweg cisgender zijn in de eerste plaats. Een bewering van een cisgender-identiteit kan bijvoorbeeld met geldigheid worden behandeld en als een ongeldigverklaring van een eerder vermelde transgender-identiteit; een bewering van een transgenderidentiteit kan echter alleen met dezelfde geldigheid worden behandeld als deze het hele leven wordt vastgehouden. Een persoon kan om verschillende redenen diens identiteit op elk moment in diens leven onderdrukken of realiseren; de genderidentiteiten van sommige individuen zijn veranderlijk en/of kunnen gedurende hun hele leven veranderen, en sommige individuen van wie de identiteit niet-binair is, worden feitelijk uitgesloten vanwege de aanname van de onderzoekers dat er twee geslachten zijn.[18]

Vaak werd gesteld dat transspijt zeldzaam was en slechts 1%. Dit percentage is echter afkomstig van oude onderzoeken die plaatsvonden op andere demografische groepen. Uit onderzoek van de afgelopen jaren blijkt echter dat dit percentage waarschijnlijk tussen de 2% en 10% ligt. De schijnbare toename zou te wijten kunnen zijn, omdat er in de aanloop minder onderzoek wordt gedaan bij patiënten voordat met hormoontherapie wordt begonnen. Transgenderkwesties zijn helaas ideologisch geladen geworden, zelfs in de wetenschappelijke gemeenschap. Ook dat beperkt goed onderzoek. Er zijn redenen om aan te nemen dat het aantal detransitioners zou kunnen toenemen. Het is heel goed mogelijk dat de lage gerapporteerde cijfers van detransitie en spijt in eerdere populaties niet langer van toepassing zullen zijn op de huidige populaties.[19]

Lange tijd verschenen er veel studies die positief waren over transitie en melding gaven van lage detransitie-percentages. Rond 2020 is er een omslagpunt en verschijnen er veel nabeschouwingen en heranalyses van de data en zeggen onderzoekers dat het bewijs zwak is.[20][21][22] Daarnaast geven zij kritiek op de gebruikte werkmethodes en afwezigheid van goed onderzoek over bijvoorbeeld lange termijn gevolgen.[23] Ook wordt er melding gegeven dat er studies zijn die geen verbetering geven van depressie en mentale gezondheid.[24] Ook zijn er studies die melden dat de gehoopte afname van zelfmoorden door transitie zou afnemen niet aantoonbaar blijken.[25]

Zie ook

bewerken
  • Chloe Cole, Amerikaans activiste die de eerste rechtszaak aanspande.
bewerken