Hoofdmenu openen

Belgische kolonie aan de Rio Nuñez

De Belgische kolonie aan de Rio Nuñez was een Belgische overzeese nederzetting aan de oevers van de Rio Nuñez tussen 4 maart 1848 en 3 april 1858. De kolonie was gelegen in het hedendaagse Guinee.

Belgische kolonie aan de Rio Nuñez
Kolonie van het Koninkrijk België
 land van de Nalou-stam 1848 – 1858 Franse kolonie aan de Rio Nuñez 
Flag of Belgium.svg Great coat of arms of Belgium.svg
Algemene gegevens
Talen Frans
Religie(s) Natuurgodsdiensten, christendom
Volkslied Brabançonne
Regering
Regeringsvorm kolonie
Staatshoofd Leopold I, Koning der Belgen
Leopold I by Franz Winterhalter.jpg
Dit artikel is een deel van de serie over Leopold I van België
Leopold I van België, 1e koning der Belgen (1831-1865)

Koningskeuze
Belgische Revolutie · Koningskeuze in het Nationaal Congres

Koningschap
Intrede in België
Koloniale politiek
Santo Tomás de Castilla · Rio Nuñez · Incident aan de Rio Nuñez

Familie
Verenigd Koninkrijk
Charlotte van Wales · Claremont House
België
Louise Marie van Orléans
Lodewijk Filips · Leopold II · Filips · Charlotte
koninklijke familie
Overige
Karoline Bauer · Arcadie Claret · Georg von Eppinghoven · Arthur von Eppinghoven

Residenties
Kasteel van Laken · Koninklijk Paleis van Brussel · Kasteel van Ciergnon

Overige
Epauletten · Ring met monogram van Leopold I
Dual Cypher of King Leopold and Queen Louise-Marie of the Belgians.svg
monogram van de koning

Inhoud

Locatie van de kolonieBewerken

De Belgische kolonie, gelegen in het hedendaagse Guinee, bevond zich op de oevers van de Rio Nuñez en liep tot een mijl landinwaarts. De kolonie strekte zich uit langs de rivier, tussen de stroomopwaartse marigot van Rapass tot aan de stroomafwaartse marigot van Victoria.[1] De kolonie had een lengte van iets meer dan 16 kilometer en een breedte van 2 mijl, namelijk 1 mijl aan iedere oever. De oppervlakte was ongeveer 60 vierkante kilometer.[2]

In de tijd van de kolonisatie was het een rijke regio, die gunstiggezind was voor handel. De kolonie lag meer landinwaarts langs de rivier en niet aan de kust van de Atlantische Oceaan. In het deltagebied, vanaf de monding tot Victoria, bleek het immers onmogelijk om een handelspost op te richten.[3]

Aanleiding van de kolonisatieBewerken

Na het mislukken van het kolonisatieproject van Santo Tomás in Guatemala richtte koning Leopold I zich resoluut op Afrika, in de hoop op dat continent een kolonie te verwerven voor België.[4] Meer bepaald keek Leopold in de richting van Senegambia, in West-Afrika.

De locatie Senegambia blijkt niet willekeurig te zijn gekozen. Reeds jaren waren er contacten tussen Belgische koopmannen en de inheemse volkeren voor de kusten van West-Afrika. Zo waren er bijvoorbeeld lucratieve handelsbetrekkingen met Gambia en Senegal.[4] De Scandinavische kapitein Frederick Knudsen dreef er reeds handel in 1845. Zij hebben invloed gehad op de expeditie naar de de Rio Nuñez. Knudsen werkte namelijk in dienst van de Antwerpse koopman Henri Serigiers. Hij trof in Sengambia stamhoofden die wilden onderhandelen met de Belgen over het vestigen van een handelspost. Zonder in te gaan op deze concrete aanwijzingen, gaf Leopold I opdracht tot een expeditie naar de Senegambia.[5]

De interesse voor Senegambia kwam voort uit de ambities van koopmannen. Pas in tweede instantie steunde de koning en de regering dit project. Hierin verschilt deze kolonisatiepoging met de mislukte kolonisatie van Santo Tomás. Dat project ging volledig uit van de koning en de regering. Wat beide wel gemeen hebben is de onuitputtelijke nood aan financiële middelen om het project van de grond te krijgen.[5]

Bovendien was er relatief weinig Europese aanwezigheid in Senegambia. Er waren hooguit twintig versterkte handelsposten, opgericht door de Fransen, de Britten en de Portugezen.[6]

De eerste expeditie naar de Rio NuñezBewerken

Onder impuls van koning Leopold I ondersteunde de Koninklijke Marine de overzeese handel en de koloniale expansie van het jonge België. In die hoedanigheid vertrok de oorlogsschoener Louise Marie[noot 1] in Antwerpen in december 1847 naar Senegambia.

Op 11 januari 1848 meert het schip aan op Gorée, een eiland voor de kust van Senegal. Daar doet zich een incident voor. De Louise Marie hijst namelijk de Belgische vlag niet en geeft zich niet over op het moment dat er tien Franse oorlogsschepen passeren. Daardoor was de nationaliteit van het Belgisch oorlogsschip niet kenbaar voor de tiendelige Franse vloot. Er voltrokken zich echter geen misverstanden en het schip zette koers naar de Baai van Hann, nabij Dakar, om er water op te halen. Vervolgens voer men verder langs de kust, op zoek naar een geschikte locatie om een handelspost op te richten. Zo komt de Louise Marie in de laatste dagen van februari 1848 aan nabij de monding van de Rio Nuñez.[7]

Luitenant-ter-zee eerste klasse Joseph Van Haverbeke, bevelvoerder van de Louise Marie en vertegenwoordiger van koning Leopold I ging er aan wal en merkte op dat de Fransen en de Engelsen er in verdeeldheid leefden met de Nalous en de Landoumans, twee inheemse volkeren. De bevelvoerder besefte dat die situatie hem en dus België voordeel kan opleveren en begon onderhandelingen met Lamina, de koning van de Nalous.[7]

Het verdrag met de NalousBewerken

De verbintenissenBewerken

Op 4 maart 1848 sloot belvoerder Van Haverbeke, “in naam van Zijne Majesteit Leopold, eerste Koning der Belgen”, een verdrag met koning Lamina van de Nalous.[1] De literatuur omschrijft het stamhoofd als een dikke man en een astmapatiënt, maar wel een knap handelaar.[4]

Het verdrag, opgemaakt in het Frans, werd ondertekend aan boord van de Louise-Marie, die lag aangemeerd nabij Caniope. Bicaise en Ducolombier fungeerden als de Belgische getuigen. Caremo en Urah waren de getuigen van de Nalou. Het verdrag legde wederzijds verbintenissen vast[1]. Enerzijds ging koning Lamina deze verbintenissen aan:

  • Hij stond aan de Koning der Belgen de volledige soevereiniteit af van beide oevers van de Rio Nuñez, tot een mijl landinwaarts, tussen de stroomopwaartse marigot van Rapass en de de stroomafwaartse marigot van Victoria. Op het moment van deze soevereiniteitsoverdracht leefden de Nalous overigens op de ganse rechteroever en op een deel van de linkeroever.[3]
  • Hij gaf de Belgische koopmannen en kolonisten het recht om onbeperkt te beschikken over de bomen het hout op het grondgebied van de kolonie.
  • Hij moest geschillen tussen de Belgen en inlanders melden aan de meest nabije Belgische bewindvoerder in de kolonie, zodat recht onmiddellijk zou kunnen geschieden.
  • Hij zou de Belgische koopmannen en kolonisten en hun eigendommen en goederen met alle mogelijke middelen beschermen. Daarom moest iedere eis buiten de gevestigde gebruiken of iedere plundering door de inlanders bestraffen.

Anderzijds verbonden de Belgen zich tot het betalen van deze heffingen:

  • De Belgische koopmannen en kolonisten moesten jaarlijks goederen ter waarde van 10 gourdes afstaan per 100 yard die ze gebruikten. Kolonisten in Victoria waren vrijgesteld van deze bijdrage.
  • België diende een jaarlijkse huurprijs te betalen van 1 000 gourdes, in de vorm van goederen aan hun dagprijs.
  • Belgische troepen of oorlogsschepen moesten instaan voor de bescherming van de Nalous tegen iedere onrechtvaardige agressie.
  • Om een goede verstandhouding te onderhouden met de Nalous schonken de Belgen bij het ondertekenen van het verdrag eenmalig de som van 300 gourdes in de vorm van contante betaling.

De Nalous mochten enkel de heffingen innen die in het verdrag vermeld staan. Één gourde[noot 2] kwam in die tijd trouwens overeen met 50 Belgische frank,[8] 5 goudfrank of 1 dollar.[2]

De ratificatieBewerken

Het verdrag was van onbepaalde duur. Wel diende België het voor 30 juni 1849 te ratificeren of te weigeren. België kon het verdrag te allen tijde opzeggen, door de intentie tot opzegging kenbaar te maken aan de koning van de Nalous. Na de ondertekening op 4 maart 1848 keerde Van Haverbeke terug naar België om het verdrag te laten ratificeren. Artikel 68 van de Grondwet van 1831 bepaalde de procedure hiervan. Het vierde lid van artikel 68 regelde de verruiming van het grondgebied:

 

Geen afstand, geen ruiling, geen aanhechting van grondgebied kan plaats hebben dan krachtens een wet. In geen geval kunnen de geheime artikelen van een verdrag de openbaar gemaakte artikelen te niet doen.

 
— artikel 68, vierde lid van de Grondwet in 1848[9]

Het verdrag in kwestie deed verplichtingen ontstaan voor de Belgische Staat en is een uitbreiding van het grondgebied. De instemming van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat door middel van een wet was daarom vereist. Minister van Buitenlandse Zaken Constant-Ernest d'Hoffschmidt wilde het verdrag ratificeren zonder parlementaire controle om het kolonisatieproject niet te verstoren.[10] Daarom ratificeerde Leopold I het verdrag niet met een wet maar met dit Koninklijk Besluit:

 

LÉOPOLD, Roi des Belges,

A tous, présents et à venir, Salut,
Sur proposition de Notre Ministre des Affaires étrangères, Nous avons arrêté et arrêtons:

Article 1 - Est approuvé l’acte passé entre le lieutenant de vaisseau Van Haverbeke, commandant de la goélette de l’Etat la Louise-Marie, et Lamina, chef supérieur des Nalou, à bord de la goélette la Louise-Marie, en rade de Caniope dans la rivière Rio-Nunez (côte occidentale d’Afrique), le 4 mars 1848.

Article 2 - Notre Ministre des Affaires étrangères est chargé de l’exécution du présent arrêté.

Donné à Bruxelles, le 27 décembre 1848.

LÉOPOLD

Par le Roi:
Le Ministre des Affaires étrangères,
C.-E. d’HOFFSCHMIDT

 
— Koninklijk Besluit van 27 december 1848[11]

Al de volgende dag vertrok de Louise-Marie voor een tweede expeditie naar de kolonie aan de Rio Nuñez om het KB kenbaar te maken aan Lamina, zoals was afgesproken in het verdrag. Na enkele oponthouden in de handelsposten van Gorée, Bathurst en Albréda, voer het schip op 9 februari 1849 de Rio Nuñez binnen, maar strandde er op een riviereiland. Na de eerstvolgende vloed kwam de Louise-Marie ’s anderendaags aan in de kolonie.[3]

De uitbouw van de kolonieBewerken

Nog tijdens de eerste expeditie naar de Rio Nuñez kocht Van Haverbeke een plantage in Victoria. De ligging ervan was namelijk van primordiaal strategisch belang. Bij zijn thuiskomst in België pleit hij voor het uitrollen van een politie-eenheid in de kolonie.[12]

UitbreidingspogingBewerken

De tweede expeditie naar de kolonie aan de Rio Nuñez had naast de kennisgeving van het KB nog een tweede doel. Minister van Buitenlandse Zaken Constant-Ernest d'Hoffschmidt droeg Van Haverbeke namelijk op om ook het land van de Landoema’s te verwerven. Het gebied van deze volksstam bevond zich eveneens aan beide oevers van de Rio Nuñez en lag in het landinwaartse verlengde van het reeds verworven grondgebied. Van Haverbeke wilde daarom onderhandelen met Mayoré, de koning van de Landoema’s.[13] De koning bleek de Belgen evenwel niet goedgezind. Ten tijde van de tweede expeditie wilden de Britten immers een handelspost stichten in Boké, in Landoema-gebied. Mayoré werkte samen met de Britten en verdreef daarom de Franse handelaars in Boké.[14]

Het Incident aan de Rio NuñezBewerken

Als gevolg van de spanningen rond Boké voltrok zich van 22 tot 24 maart 1849 het Incident aan de Rio Nuñez, ook de Slag van Boké genoemd.