Hoofdmenu openen
Samenvoegen van Ten minste één Wikipediagebruiker vindt dat de tekst van Oorsprong van het leven in dit artikel ingevoegd zou moeten worden, of dat er een duidelijkere afbakening tussen deze artikelen dient te worden gemaakt. Als de tekst wordt ingevoegd, dient dat artikel een redirect te worden (hier melden).
Zie artikel Voor een overzicht van andere visies op het ontstaan van leven, zie Scheppingsverhaal.
Champagne vent white smokers.jpg
De eerste bekende levensvormen zijn gefossiliseerde micro-organismen in hydrothermale bronnen, die vermoedelijk 4,28 miljard jaar geleden hebben geleefd, niet lang na de vorming van de Aarde.
Stromatolites.jpg
Stromatolieten uit het precambrium in de Siyeh Formation, Glacier National Park. In deze 3.5 Ga oude formaties zijn gefossiliseerde cyanobacteriën gevonden; eveneens zeer oude organismen die dicht bij de oorsprong van het leven staan.

Abiogenese of de oorsprong van het leven[a] is het natuurlijke proces waarbij leven is ontstaan uit niet-levende materie, zoals eenvoudige organische verbindingen.[2][3][4] Hoewel de details van dit proces nog steeds onbekend zijn, stelt de heersende wetenschappelijke hypothese dat de overgang van niet-levende naar levende systemen geen afzonderlijke gebeurtenis was, maar een evolutionair proces van toenemende complexiteit dat samenging met moleculaire zelfreplicatie, zelforganisatie, autokatalyse en de ontwikkeling van celmembranen.[5][6] Hoewel het voorkomen van abiogenese onomstreden is onder wetenschappers, zijn de precieze mechanismen die ermee verbonden zijn nog niet ontrafeld.

Onderzoekers bestuderen abiogenese door een combinatie van inzichten uit de moleculaire biologie, paleontologie, astrobiologie, oceanografie, geochemie en biochemie. Interdisciplinariteit is daarbij essentieel, omdat het leven ontstond onder omstandigheden die sterk verschillen van die van de hedendaagse aarde.[7] Al het leven kenmerkt zich door vier groepen biomoleculen: lipiden (membranen), koolhydraten (suikers), aminozuren (eiwitten) en nucleïnezuren (zelfreplicerend DNA en RNA). Een succesvolle theorie van abiogenese zou de oorsprong en interacties van deze biomoleculen moeten kunnen verklaren.[8] Bij onderzoeken wordt de focus vaak gelegd op het ontstaan van zelfreplicatie. De leidende hypothese stelt dat het huidige leven afstamt van een RNA-wereld.[9]

Het klassieke Miller–Urey-experiment uit 1952 toonde aan dat aminozuren, de chemische bouwstenen van de eiwitten die in alle levende organismen worden gebruikt, spontaan kunnen worden gesynthetiseerd uit anorganische verbindingen onder omstandigheden die overeenkomen met die van de vroege aarde. Er zijn verschillende energiebronnen voorgesteld die deze reacties kunnen hebben aangedreven, waaronder bliksem en straling. Andere benaderingen richten zich op het verklaren hoe stofwisseling en katalyse in chemische systemen mogelijk de precursormoleculen heeft gevormd die nodig zijn voor abiogenese.[10]

De Aarde is de enige plaats in het universum waarvan bekend is dat er leven voorkomt, en fossiele resten van de vroege aarde zijn de basis van de meeste onderzoeken over abiogenese. De ouderdom van de aarde is gedateerd op ongeveer 4,6 miljard jaar;[11] het vroegste (algemeen erkende) bewijs van leven op minstens 3,5 miljard jaar geleden.[12] In 2017 werden gefossiliseerde micro-organismen in neerslagen van hydrothermale bronnen gevonden die gedateerd zijn op 3,77 tot 4,28 miljard jaar oud,[13] wat suggereert dat het leven kort na de vorming van de oceaan 4.4 miljard jaar geleden begon.

Inhoud

OmschrijvingBewerken

Abiogenese is de natuurwetenschappelijke verklaring voor de oorsprong van het leven, dus zonder bovennatuurlijke of metafysische inbreng. Het eerste leven is ooit ontstaan als gevolg van de tegenwoordig ook voorkomende chemische en fysische processen. Deze aanname is bekend als het uniformitarianisme: de tegenwoordig waarneembare processen en natuurkundige wetten waren ook in het verleden werkzaam en vormen daarmee de sleutel om de totstandkoming van de huidige wereld na te gaan.

De term abiogenese moet niet verward worden met spontane generatie zoals men dat in de oudheid meende waar te nemen ("muizen ontstaan in graan", "maden ontstaan in rottend vlees" etc). Vanaf de 17e eeuw is een belangrijk principe in de biologie dat leven alleen ontstaat uit ander leven: Omne vivum ex ovo (al het leven komt uit een ei). De klassieke opvatting van spontane generatie is volgens moderne inzichten een onmogelijkheid. Maden verschijnen in rottend vlees omdat vliegen daar hun eieren hebben gelegd, muizen duiken op in graanschuren, omdat ze van elders komen, en zich in een dergelijk voedselparadijs snel voortplanten.

De vraag is echter hoe het eerste leven ooit begonnen is, het leven waar al het andere leven uit is voortgekomen. Er bestaan verschillende hypothesen van abiogenese, maar geen ervan is algemeen geaccepteerd en empirische ondersteuning is schaars. Alle hypothesen gaan uit van het feit dat de moleculen die de eerste cellen vormden werden gesynthetiseerd onder natuurlijke omstandigheden door een langzaam proces van chemische evolutie, en dat deze moleculen zich vervolgens gingen organiseren tot een ordelijk systeem met biologische eigenschappen.[14]

Huidige modellenBewerken

Moleculair bioloog John Desmond Bernal stelde in 1967 een drietrapsmodel op over de ontwikkeling van niet-levende materie naar primitief leven.[15] De drie stappen in dit model weerspiegelen in grote lijnen de basale onderzoeksthema's van de abiogenesetheorie:

  1. de oorsprong van biologische monomeren (eenvoudige organische verbindingen, zoals aminozuren en nucleotiden);
  2. de oorsprong van biologische polymeren (zelfreplicerende macromoleculen zoals RNA);
  3. de evolutie van deze moleculen naar cellen (het eerste leven, zelfstandig metabool actief).

Bernal gaf aan dat de evolutie naar cellen begon tussen stadia 1 en 2. Hij beschouwde het derde stadium – het proces waarbij in membraancompartimenten ontstaan waarin nieuwe biochemische reacties kunnen verlopen – als het moeilijkst om experimenteel vast te stellen. Modern onderzoek laat zien dat al deze drie ontwikkelingsstappen, in meer of mindere mate, reproduceerbaar zijn.[16][17]

De ontwikkeling van complexiteit door enkel chemische processen wordt chemische evolutie genoemd. Chemische evolutie is een belangrijk concept binnen de abiogenesetheorie. Verschillende onderzoeksteams hebben aangetoond dat evolutie – inclusief replicatie, variatie en natuurlijke selectie – kan plaatsvinden in populaties van moleculen.[18] Sol Spiegelman, een Amerikaans microbioloog, maakte gebruik van deze natuurlijke selectie om het 'Spiegelman-monster' te synthetiseren: een RNA-keten dat bestond uit slechts 218 nucleotiden, en geëvolueerd was uit een bacterieel RNA-molecuul van 4500 basen. Manfred Eigen bouwde voort op het werk van Spiegelman en produceerde een soortgelijk systeem dat verkort werd tot slechts 48 of 54 nucleotiden; de minimale lengte van RNA dat nog gerepliceerd kan worden.[19]

Ook NASA heeft verschillende modellen opgesteld voor abiogenese-onderzoek. NASA stelt zich ten doel om interacties, intermediaire structuren en functies, energiebronnen en omgevingsfactoren te identificeren die hebben bijgedragen aan de diversiteit, selectie en replicatie van evolueerbare macromoleculaire systemen.[20] De nadruk moet daarbij liggen op het in kaart brengen van welke polymeren bij de oorsprong van het leven een rol hebben gespeeld. Het ontstaan van polymeren die zichzelf kunnen repliceren, genetische informatie kunnen opslaan en eigenschappen kunnen vertonen waar selectie op kan inspelen, was vermoedelijk een cruciale stap in de emergentie van levende systemen.[20]

BegripsgeschiedenisBewerken

 
Andrei Kursanov en Aleksandr Oparin (rechts) in 1938

Charles Darwin besefte al dat er een groot probleem openstond bij zijn evolutietheorie: de herkomst van de voorouder van alle organismen. In een brief aan zijn collega J. Hooker uit 1871 speculeerde hij er wel over,[21] maar naar de stand van de wetenschap toentertijd was dit probleem nog niet op te lossen.

De eerste wetenschapper die een verantwoorde hypothese voorstelde voor het chemische ontstaan van de eerste 'levensmoleculen' waren Aleksandr Oparin en John Haldane in de jaren 20 van de vorige eeuw. Beiden gingen ervan uit dat de chemische condities in het begin van de aardse geschiedenis gunstig waren voor de vorming van complexe moleculen. Oparin beredeneerde dat een "oersoep" van organische moleculen kon worden gecreëerd in een zuurstofloze atmosfeer onder invloed van zonlicht. Eerst volgde volgens hem de vorming van eiwitten en daarna, met eiwitten als bouwstenen, nog complexere moleculen. Oparin stelde ook een proces voor om die prebiotische elementen samen te brengen in een soort protocellen: 'coacervaten'.

Het beroemd geworden Miller–Urey-experiment was een eerste experimentele toetsing van deze theoretische beschouwingen. Het experiment, dat in 1953 werd uitgevoerd onder leiding van Stanley Miller en Harold Urey, toonde aan dat organische moleculen inderdaad ontstaan in een levenloze omgeving. In het experiment werd de vermoedelijke toestand van de vroege Aarde nagebootst in een laboratorium. In een mengsel van waterdamp, methaan, ammoniak en waterstofgas werden elektrische ontladingen opgewekt. Na een week bleek dat er een aanzienlijke hoeveelheid organische moleculen was ontstaan, inclusief aminozuren (de bouwstenen van eiwitten). Van de aanwezige koolstof bevond zich 10-15% in organische moleculen. Twee procent van de koolstof was gebonden (als twee verschillende aminozuren). De ene helft van de geproduceerde aminozuren was linksdraaiend, de andere helft rechtsdraaiend.

Moleculaire basis van het levenBewerken

De bijna oneindige verscheidenheid van biomoleculen die aangetroffen wordt in de diverse levensvormen (bacteriën, planten, dieren en schimmels) vertoont een opmerkelijk aantal onderlinge relaties. Om een chemische verklaring van het ontstaan van leven te kunnen geven, is het belangrijk om een chemische beschrijving van deze relaties te hebben. De belangrijkste kenmerken van het leven op Aarde zijn:[22]

  • De basis van iedere cel wordt gevormd door eiwitten en andere organische moleculen. Eiwitten bestaan uit ketens van aminozuren. Eiwitstructuren zijn voornamelijk van belang door hun katalytische en structurele functies.
  • Een vorm van stofwisseling is onontbeerlijk voor de energievoorziening van het organisme. Door stofwisseling kan energie en materie in het organisme worden gebruikt om een stabiele, vitale toestand te handhaven (door entropie lokaal laag te houden).
  • Leven moet zich kunnen voortplanten (zelfreplicatie). Het leven op aarde gebruikt daarvoor DNA of RNA om genetische eigenschappen door te geven aan nakomelingen. In deze nucleïnezuren, die elk een biologisch polymeer is van nucleotiden, staan alle codes voor de eiwitten die het individu gedurende zijn leven nodig heeft. De specifieke combinatie van eiwitcodes (genen) in het DNA bepaalt uiteindelijk de karakteristieken van het individu.

Alle genoemde kenmerken zijn essentieel voor het leven zoals wij dat kennen. De modellen voor abiogenese moeten niet alleen het ontstaan van deze kenmerken afzonderlijk verklaren, maar ook hoe deze bij elkaar hebben kunnen komen om de eerste cel te vormen.

Oorsprong van organische verbindingenBewerken

Alle elementen, behalve waterstof en helium, ontstaan in de eerste plaats uit stellaire nucleosynthese. In 2016 maakten astronomen bekend dat de meest basale chemische bestanddelen van het leven – het koolstof-waterstofmolecuul (CH•), het koolstof-waterstof-ion (CH+) en het koolstof-ion (C+) – voornamelijk gevormd worden onder invloed van ultraviolet licht afkomstig uit sterren.[23] Complexe moleculen, zoals organische verbindingen, vormen van nature door interacties tussen deze deeltjes, zowel vrij in de ruimte als op hemellichamen. Computersimulaties hebben uitgewezen dat de organische moleculen die nodig zijn voor leven gevormd kunnen zijn in de protoplanetaire schijf rond de zon, nog vóór het ontstaan van de planeten.[24] Kort na de vorming van de aarde stond het zonnestelsel bloot aan een groot aantal inslaande meteorieten: de Late Heavy Bombardment. Ook in deze periode zouden veel organische moleculen vanuit de ruimte op aarde terecht zijn gekomen.[25]

Uit deze natuurlijke gevormde schoorstenen komen hydrothermale vloeistoffen vrij van ruim 100° C. Daarbij worden spontaan organische verbindingen gevormd door interacties tussen reactieve gassen en opgeloste elementen (H2).[26]

Naast de synthese van complexe moleculen in de ruimte kunnen organische verbindingen ook op aarde zijn gevormd. Organische moleculensynthese op aarde kan zijn aangedreven door UV-licht, redoxkoppeling of elektrische ontladingen tijdens bliksem. De ontdekking van hydrothermale bronnen in 1977 wierp nieuw licht op de klassieke "oersoep"-hypothesen, omdat duidelijk werd dat ook deze onderzeese bronnen chemisch gunstige omgevingen waren voor aanhoudende synthese van organische stoffen.[26] De zwavelrijke schoorstenen die bij hydrothermale bronnen ontstaan geven een goede indruk van de vroege aarde. Thermische gradiënten met reactieve gassen (magmatisch CO2, H2S) en opgeloste elementen (H2) zijn uitstekende voorwaarden voor het laten verlopen van redoxreacties (reacties met overdracht van chemische energie) waaruit complexere verbindingen ontstaan.[26]

Simulaties van geothermisch verwarmde oceanische korst leverden veel meer organische stoffen op dan die gevonden zijn in de Miller–Urey-experimenten. In hydrothermale bronnen is een enorme thermodynamische tendens om organische verbindingen te vormen, aangezien "zeewater en hydrothermische vloeistoffen, die niet in evenwicht zijn, zich vermengen en overgaan naar een stabielere toestand (een exergoon proces)."[27] De vrijgekomen energie wordt gemaximaliseerd bij ongeveer 100–150 graden Celsius, precies de temperaturen waarbij de thermofiele bacteriën en archaea zijn gevonden: organismen die aan de basis staan van de fylogenetische stamboom, dicht bij de Last Universal Common Ancestor (LUCA).[28]

Het accumuleren van organische moleculen op een planeetoppervlak wordt beschouwd als een essentiële stap voor de oorsprong van het leven. Het identificeren en begrijpen van de mechanismen die hebben geleid tot de productie van prebiotische moleculen is van cruciaal belang voor het opstellen van de inventaris van bouwstoffen waaruit het leven op aarde is ontstaan, ervan uitgaande dat de abiotische vorming van moleculen uiteindelijk de selectie van moleculen heeft beïnvloed waaruit het leven is voortgekomen.[20]

Chemische syntheseBewerken

De vroege aarde bevatte verschillende energiebronnen die chemische reacties hebben aangedreven: geothermie, straling van de zon en blikseminslag zijn de belangrijkste.[18] Computersimulaties laten zien dat cavitatie in oersoepreservoirs (zoals in de branding en snelstromende rivieren) ook kan leiden tot de synthese van biogene verbindingen.[29] Al in de jaren 1860 werden experimenten gedaan die aantoonden dat biologisch relevante moleculen kunnen worden geproduceerd door interacties tussen eenvoudige koolstofbronnen en anorganische katalysatoren. Experimenten van Butlerov (de formose-reactie) lieten zien dat tetroses, pentoses en hexoses worden geproduceerd wanneer formaldehyde wordt verwarmd onder basische omstandigheden met tweewaardige metaalionen zoals calcium.

Formamide kan worden omgezet in alle vier de ribonucleotiden wanneer het, in aanwezigheid van terrestrische mineralen, verwarmd wordt. Formamide is alomtegenwoordig in het universum, en ontstaat uit de reactie van water met waterstofcyanide (HCN).[30] Formamide wordt vaak voorgelegd als precursor van organische verbindingen, mede omdat het gemakkelijk accumuleert in natuurlijke reservoirs door de verdamping van water.[31] Hoewel HCN uiterst giftig is, schaadt het alleen de gezondheid van aerobe organismen (eukaryoten en bepaalde bacteriën), die bij de oorsprong van het leven nog niet bestonden. Daarnaast speelt HCN een rol in andere chemische syntheseprocessen, zoals de vorming van het aminozuur glycine.[18]

Ten tijde van het Miller–Urey-experiment ging men ervan uit dat de vroege aarde een reducerende atmosfeer had: een lucht bestaande uit moleculen die relatief rijk waren aan waterstof en arm waren aan zuurstof (zoals CH4 en NH3 in tegenstelling tot CO2 en NO2). De huidige wetenschappelijke consensus stelt echter dat de vroege aardatmosfeer zwak reducerend of neutraal was.[32] Een dergelijke atmosfeer zou zowel de hoeveelheid als de variëteit aan aminozuren die kunnen worden geproduceerd sterk verminderen. Toch zijn er ook in deze omstandigheden syntheseroutes ontdekt (met ijzer- en carbonaatmineralen) die een gevarieerd scala aan aminozuren hebben geproduceerd.[32] Ander onderzoek richt zich op twee andere potentiële reducerende omgevingen: de ruimte en hydrothermale bronnen in diepzee.[33]

ZelfreplicatieBewerken

Vaak worden zelfassemblage en zelfreplicatie beschouwd als eigenschappen van levende systemen, maar er zijn veel gevallen waarin abiotische moleculen deze verschijnselen spontaan vertonen onder de juiste omstandigheden. Stan Palasek suggereerde op basis van een theoretisch model dat zelfassemblage van ribonucleïnezuur (RNA) spontaan kan optreden als gevolg van fysische factoren in hydrothermale bronnen.[34] Ook het zelfassemblageproces waar virussen gebruik van maken werpt licht op hypothesen voor abiogenese, omdat het bijdraagt aan de plausibiliteit dat het leven begonnen kan zijn door zelfassemblage van organische moleculen.

Zelfreplicerende moleculen bieden de mogelijkheid van "natuurlijke selectie", zoals dat ook in de biologische evolutie plaatsvindt. Op dezelfde wijze als er een evolutie van soorten plaatsvindt, is het denkbaar dat er een chemische evolutie heeft plaatsgevonden. Het zelfreplicerende DNA wordt beschermd door de celmembraan en maakt gebruik van een veelheid van andere organische moleculen. Zonder bescherming van de cel en zonder de eiwitten in de cel, kan DNA zich niet repliceren.

Richard Dawkins wierp in 1967 al een theorie op die beschrijft dat in de vroege oersoep een aantal reproducerende deeltjes ontstond. Deze zogenaamde replicatoren deden niets anders dan hun eigen structuur kopiëren. In de soep ontstonden meerdere van deze replicatoren die met elkaar "wedijverden" om de grondstoffen, wat wil zeggen dat sommige replicatoren sneller of met minder fouten kopieerden dan andere en "succesvoller" werden. Deze kopiërende entiteiten kunnen nog niet levend genoemd worden. In de natuur zijn nog steeds kopiërende vormen te vinden zoals kristallen. Sommige replicatoren zullen wellicht een membraan om zich heen hebben gevormd om het directe milieu te handhaven of om andere replicatoren buiten te sluiten. Dit zou je kunnen zien als vroege celmembranen.

Zelfreplicerend RNABewerken

  Zie RNA-wereld voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

RNA lijkt veel op DNA, en kan ook informatie bevatten zoals DNA dat doet. Er zijn virussen die RNA hebben als drager van genetische informatie (zie retrovirus). Daarnaast heeft RNA ook katalytische eigenschappen, waardoor het de aanmaak van meer RNA kan bevorderen. Er zijn RNA-moleculen die onder specifieke omstandigheden autokatalytisch zijn, oftewel ze kunnen zichzelf repliceren.

Als opslagmedium voor informatie is RNA echter minder geschikt dan DNA. RNA is minder stabiel. Anderzijds is RNA wel opgebouwd rond een standaard pentose, ribose, en is DNA opgebouwd rond desoxyribose. De biosynthese hiervan vraagt een speciale reductie.

Argumenten om RNA als de eerste drager van genetische informatie te bestempelen zijn:

  • RNA polymerisatie en replicatie kan op basis van nucleotiden in vitro plaatsgrijpen.
  • RNA staat centraal in alle bekende organismen en is ook van groot belang bij de synthese van eiwitten.
  • RNA is een meer complexe molecule dan het DNA. RNA kan zich net zoals enzymen in een driedimensionale structuur opvouwen en vertoont enzymatische functies.
  • Nucleosiden, die de basisbouwstenen zijn van RNA, helpen sommige enzymen beter te functioneren.

Manfred Eigen kon in vitro zelfreproducerende RNA-strengen maken, die hij quasi-species noemde. Hierop konden ook selectieprocessen worden toegepast. Een probleem is echter het aantal nucleosiden waaruit de RNA-strengen zijn opgebouwd. Hoe langer de keten, hoe zwaarder de foutenlast bij het overschrijven van de keten. Hij probeerde dit op te vangen door het beschrijven van hyper-cycles.

KleitheorieBewerken

Een niet algemeen geaccepteerde theorie is de "kleitheorie" die door Graham Cairns-Smith werd geopperd in 1985. De theorie behelst in het kort dat kleideeltjes door hun vorm en de eigenschappen van hun oppervlak verschillende mogelijkheden hebben om hun omgeving te beïnvloeden. Sommige kleideeltjes zullen als sediment de kans vergroten dat vergelijkbare kleideeltjes ook daar sedimenteren. Gezamenlijk is hun invloed op de omgeving groter. Klei heeft ook katalytische eigenschappen, en als die katalytische eigenschappen leiden tot vorming van organische moleculen op het oppervlak die de oorspronkelijke eigenschappen versterken, is er een soort van zelfreplicerend systeem ontstaan. De volgende stap is dan dat de zelfreplicatie zich losmaakt van de kleideeltjes, leidend tot een zelfreplicerend systeem van organische moleculen.

ProtocellenBewerken

Cellen zijn afgescheiden van hun omgeving door een celmembraan, bestaande uit fosfolipiden. Het is mogelijk gebleken om celachtige structuren te laten ontstaan uit organisch materiaal uit meteorieten.

Extremofielen en black smokersBewerken

De betrekkelijk recente ontdekking van de black smokers, heetwaterbronnen op de bodem van de oceanen, en de in de omgeving daarvan levende extremofielen, die alle tot het eencellige domein der Archaea behoren, heeft een aantrekkelijke nieuwe theorie voor de abiogenese opgeleverd. Er zijn namelijk veel argumenten die ervoor pleiten dat de black smokers optimale kansen bieden voor een chemische evolutie die in het ontstaan van levende wezens heeft kunnen resulteren. Mogelijk is dan vanuit deze heetwaterbronnen het eerste primitieve leven verspreid is door de oceanen.

Stand van zakenBewerken

De huidige kennis biedt hooguit hypothesen over hoe abiogenese plaats heeft kunnen vinden. Men kan wel al aminozuren en andere organische moleculen laten ontstaan door louter natuurlijke processen zoals Miller en Urey deden. Hoe deze zich zouden moeten organiseren in complexere, zich in stand houdende en reproducerende eenheden is nog steeds onduidelijk. Wel zijn er voorbeelden in de nietlevende natuur zoals zichzelf kopiërende structuren bijvoorbeeld bij kristallen.

Een probleem met het toetsen van hypothesen over het ontstaan van leven is dat er nauwelijks fossiel bewijsmateriaal voorhanden is. Het gaat immers om structuren van de grootte van een cel of (veel) kleiner met een geologische geschiedenis van ongeveer 3,5 miljard jaar. Verreweg het meeste fossiele bewijsmateriaal is in die lange tijd allang weggeërodeerd. De hypothesen met betrekking tot deelstappen die (kunnen) hebben geleid tot het ontstaan van het leven, kunnen echter vaak wel experimenteel worden getoetst[35]. Ook worden computersimulaties die mogelijke scenario's voor het ontstaan van het leven doorrekenen steeds geavanceerder en realistischer wat dan bruikbare uitkomsten kan opleveren als nieuw uitgangspunt voor verder onderzoek. Onderzoekers hopen ook dat men in de toekomst leven of sporen hiervan vindt op andere planeten in ons zonnestelsel (zie ook astrobiologie) die men dan zou kunnen vergelijken met aards leven. Met de gegevens van zo'n vergelijkend onderzoek zou men dan een heel eind verder zijn naar een goede theorie voor abiogenese en onder welke omstandigheden die kan plaatsvinden.

KritiekBewerken

Alternatieve theorieën en opvattingen over het ontstaan van leven, zoals de panspermie-hypothese of metafysische ideeën over het ontstaan van leven (creationisme) worden door tegenstanders van de 'aardse' evolutietheorie nog steeds voorgesteld maar zijn nog moeilijker te toetsen dan de gangbare theorie van abiogenese.

Een stelling die door veel creationisten wordt aangehangen is dat abiogenese in principe onmogelijk is, waarbij vooral gewezen wordt op de onderlinge afhankelijkheid van de verschillende essentiële onderdelen van een cel (onherleidbare complexiteit). Ook wordt dikwijls beweerd dat de informatie gecodeerd in het genoom onmogelijk vanzelf kan zijn ontstaan. Vaak wordt de genetische informatie die in DNA gecodeerd is vergeleken met softwareprogramma's die in computers worden gebruikt en waarvoor een programmeur nodig is die deze informatie ontwerpt. Tot nu toe is echter nooit aangetoond dat stapsgewijze evolutie van leven uit niet-leven fundamenteel onmogelijk is. Zo blijkt zelfreplicatie van RNA mogelijk te zijn, hetgeen een oplossing is voor het probleem dat in alle hedendaagse levensvormen genetisch materiaal nodig is om proteïnen te maken, terwijl proteïnen nodig zijn voor de reproductie van het genetisch materiaal. Ook is niet onomstotelijk bewezen dat willekeurige mutaties in het genoom geen bruikbare nieuwe informatie kan opleveren door middel van de druk van natuurlijke selectie die schadelijke informatie uitschakelt terwijl nuttige informatie zich kan vermenigvuldigen.

Zie ookBewerken