Hoofdmenu openen

Onthoofding van Egmont en Horne

De hertog van Alva arresteert Egmont en Horne
Gravure van de onthoofding afgedrukt in 1616
Gravure van de onthoofding uit 1570 afgedrukt in 1869

De onthoofding van Egmont en Horne vond plaats op 5 juni 1568 op de Grote Markt van Brussel. De executie van deze twee vooraanstaande edellieden wordt vaak beschouwd als het definitieve sein voor de gewapende Nederlandse Opstand.

Lamoraal van Gavere, graaf van Egmont (of Egmond) en Filips van Montmorency, graaf van Horne, behoorden samen met onder anderen Willem van Oranje tot de kopstukken van het protest tegen het beleid van kardinaal Antoine Perrenot Granvelle, bisschop van Atrecht, die de inquisitie invoerde in de Zeventien Provinciën. Het protest van de drie had ook eminent politieke redenen, want Granvelle was de belichaming van de meritocratische vernieuwing waarmee koning Filips II de macht van de hoge adel wilde inperken.

Na het uitbreken van de Beeldenstorm op 10 augustus 1566 stuurde koning Filips II van Spanje de hertog van Alva als landvoogd (militaire gouverneur) naar Brussel om orde op zaken te stellen. Oranje ontvluchtte hierop Brussel, Egmont en Horne besloten dat niet te doen. Alva liet hen vrijwel direct na zijn aankomst, op 9 september 1567, arresteren. Dit geschiedde met een vals voorwendsel. De landvoogd had hen gevraagd om bij een maaltijd over de situatie te praten. Direct na hun arrestatie werden ze naar Gent overgebracht en in het Spanjaardenkasteel opgesloten.

Egmont en Horne
laatste brief Lamoraal van Egmont aan Filips II
herdenkingsplaquette onthoofding Grote Markt van Brussel
19e-eeuws standbeeld van Egmont en Horne op de Kleine Zavel, Brussel

Zij werden in december 1567 wegens hoogverraad voor de Raad van Beroerten gebracht. Uit de beschuldigingakte van Jean du Bois blijkt dat de vervolging eerder politiek dan religieus was gemotiveerd, waarbij het verzet van de hoge adel tegen Granvelle zwaar doorwoog. Het werd beschouwd als een samenzwering en majesteitsschennis. Hoewel beiden tot het einde toe katholiek bleven en trouw betuigden aan de Spaanse koning, werden zij ter dood veroordeeld, ondanks het inroepen van hun staat van dienst en hun onschendbaarheid als Vliesridders en de vele protesten van andere edelen.

Op 23 mei 1568 vond de slag bij Heiligerlee plaats, waarbij de koningsgezinde stadhouder graaf Jan van Ligne verslagen werd. Alva liet als represaille meteen 18 edelen onthoofden op de Brusselse Zavel.

Op 3 juni 1568 werden ook Egmont en Horne van Gent naar Brussel teruggebracht en opgesloten in het Broodhuis. Op 4 juni tekende Alva het doodvonnis. De doodvonnissen waren opgesteld door Jacob Hessels, procureur-generaal in de Raad van Vlaanderen, die tien jaar later zelf, tijdens de Gentse Republiek ook terechtgesteld werd (door ophanging). In de motivering vormden hun steun aan het Eedverbond der Edelen en de bouwtoelating voor een calvinistisch gebedshuis buiten de muren van Doornik de hoofdpunten.

Op Pinksteren (5 juni) 1568 werden beide vrienden kort na elkaar (Egmont om 10 of 11 uur en Horne om 12 uur) onthoofd op de Grote Markt van Brussel. Willem van Oranje had er ook bij moeten zijn, maar omdat hij tijdig gevlucht was, was hij aan de executie ontkomen. De twee hoofden werden na de executie op staken gestoken om drie uur lang tentoongesteld te worden. Daarna werden de lichamen en de hoofden in loden kisten gelegd en vervoerd naar het minderbroederklooster, waar ze gebalsemd werden. Daarbij werden de harten verwijderd en in aparte metalen bussen gedaan om te overhandigen aan de twee weduwen. De loden kisten werden vervolgens dicht gesoldeerd [1]. Egmont werd op 16 juni 1568 begraven in de grafkelder onder de Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk in Zottegem; Horne werd op 23 juni 1568 begraven in de Sint-Martinuskerk van Weert.

In Emanuel Van Meterens Historie der Nederlandscher ende Haerder Na-buren Oorloge (1614) [2] staat daarover het volgende: Twee uren voor-middagh ten thien uren werdt den grave van Egmont op het schavot ghebracht van de Maestro del Campo, ofte colonel Juliaen Romero, capiteyn Salinas ende den bisschop van Yperen, Martinus Riethovius, sijnen biechtvader al in rouwe ghekleedt. Den provoost van den hove Spelle ghenaemt sat te paerde voor het schavot met sijn roode hoede in sijn handt: Den beul ofte scherp-rechter stondt onder het schavot. Egmont was ghekleedt in hosen ende wambays, hebbende selve den krage 's morgens van het wambays en de hemde af ghesneden ende hadde daer over eenen rooden damasten nacht-tabbaert ende een swart mantelken met gouden passement gheboort noch daer oppe: op sijn hooft eenen swarten armosijnen hoet met swarte ende witte pluymen: in sijn handen (die op sijn bidden onghebonden waren) eenen snut-doeck: tusschen weghen neffens den bisschop gaende las hij den 51. psalm. Op 't schavot ging hy wat op ende neder wenschende te mogen in dienste van sijnen prince ende lande sijn leven eynden. Hij vraeghde aan Juliaen Romero of daer gheen ghenade was! De welcke sijn schouderen treckende antwoorde neen. Waer over hij (bijtende op sijn tanden) sijnen mantel ende tabbaert neder wierp knielde op het kussen ende met hem den bisschop t'samen biddende die hem daer nae het crucefix te cussen gaf. Ende doen hij den hoet ende snutdoeck van hem werpende stelde hem knielende ter doodt doende een zijden slaepmutsken over sijn ogen verwachtende den slagh wenckende den bisschop te wijcken seggende heere in uw handen beveele ick mijnen gheest. Terstondt is den scherprechter opgekomen met sijn sweert ten eersten slaghe dat hooft van hem af-houwende. Het lichaem ende bloedt werdt met swart laken bedeckt.

In een handgeschreven toevoeging van pastor Herman Neuwalds aan het 'Calendarium' van theoloog Paul Eber[3] staat het volgende verslag over de executie: den 5 dag tho XI slegen ist der grafe van Egmont mit dem van Hoerne up dem marckede onthovet. In het ooggetuigenverslag van de onthoofding uit de Fugger Zeitung[4] staat het volgende te lezen: Darnach wurden sie dasgleichen nach 3 Uhrn auch die Heupter jedes in ainem viereckhetten besondern Kistlain in S. Gula Kirche getragen, alda inen die Heupter wider ann die Leib genähet, und von danna der von Egamondt in Sankt Claren, und der von Horn in ain ander Kloster getragen. Hernach gedachter von Egamondt uff seiner Herrschaft Sottegem und der von Horn gegen Werdt gefurdt, unnd allda gepalsamirtt begraben worden.

In de kroniek van zuster Maria Luyten over het Weertse Maria-Wijngaardklooster wordt de onthoofding als volgt verteld: Anno 1568, den 5 junius, pinxteravont is onsen Genaedighen en vreedsaemighen Goedertieren Grave van Horne, heer Philippus tot Brussel door bevel van den Coninck onthooft, desgelijcks mijnheer van Egmont en nogh meer andere graven en heeren en Edelmans en bedieners der onthoofde graven […] Item de hoofden van deese Heeren stonden wel drij uren op eenen ijseren pinne en soo langh fluyte en trommelden men daer bij. Item den drij en twintighsten dagh injunius brogten sij onser goeden deughtsaemen heer Philippus van Brussel doot tot Weert op sijn Casteel en hij wiert terstondt binnen één uure in de Hooghkerck begraven; want hij had 19 daegen boven aerde gestaen, maer hij was twee reijsen gebalsemt. [5]

Op 5 juni 2018 (tijdens het 'Egmontjaar' en het 'Van Hornejaar' 450 jaar na de onthoofding) werden in Zottegem, Egmond (Bergen), Oud-Beijerland, Brussel en Weert herdenkingsplechtigheden gehouden en kransen neergelegd [6] [7]. In september 2018 werd in Zottegem de onthoofding uitgebeeld tijdens een 'Egmontevocatie'. In Weert en Zottegem werden ook muurschilderingen aangebracht over de onthoofding [8][9].

LiteratuurBewerken

  • Charles-Victor de Bavay, Le procès du comte d'Egmont avec pièces justificatives, Brussel, 1853
  • Herman Van Nuffel, "De terechtstelling van Egmont en Hoorne en de weerslag ervan op hun tijdgenoten", in: De Brabantse folklore, 1967, nr. 175, p. 267-279
  • Zottegems Genootschap voor Geschiedenis en Oudheidkunde, Handelingen XVIII (deel 1/deel 2) Themanummer Graaf Lamoraal van Egmont (1522-1586), 2017.