Kriegsmarine

De Kriegsmarine is de Duitse zeemacht van 1935 tot 1945. De Kriegsmarine was de opvolger van de Reichsmarine, die na het verdrag van Versailles de Kaiserliche Marine verving.

Kriegsmarine
Embleem Kriegsmarine
Oprichting 1 juni 1935
Ontbinding 8 mei 1945
Land Vlag van Nazi-Duitsland Nazi-Duitsland
Onderdeel van Balkenkreuz.svg Wehrmacht
Type Marine
Aantal 648.443 (1 mei 1943)[1]
Commandanten Erich Raeder (1928-1943)
Karl Dönitz (1943-1945)
Hans-Georg von Friedeburg
(1-23 mei 1945)
Walter Warzecha
(22 mei-23 juli 1945)

Toen Adolf Hitler in 1933 aan de macht kwam werd de Kriegsmarine weer opgebouwd en werd admiraal Erich Raeder de nieuwe opperbevelhebber. Na diens ontslag, begin 1943, werd Karl Dönitz bevelhebber. De Kriegsmarine was tijdens deze periodes een van de onderdelen van de Wehrmacht. In die periode groeide de marine weer uit tot een geduchte zeemacht.

Het interbellumBewerken

 
Erich Raeder
  Zie Reichsmarine voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Na het einde van de Eerste Wereldoorlog werden de Duitse oorlogsschepen opgebracht naar de Britse marinebasis Scapa Flow. In afwachting van een akkoord brachten de Duitsers hier echter op 21 juni 1919 zelf hun slagschepen tot zinken.

Het verdrag van Versailles beperkte de Duitse vloot tot zes pre-dreadnought pantserschepen, zes lichte kruisers, twaalf torpedobootjagers en twaalf torpedoboten. Onderzeeboten waren verboden. De kruisers en de pantserschepen mochten pas na twintig jaar vervangen worden en vervangende pantserschepen mochten de 10.000 ton niet te boven gaan. Nieuwe kruisers mochten zelfs niet boven de 6000 ton komen, torpedobootjagers waren beperkt tot 800 en torpedoboten tot 200 ton. Ook mocht de marine niet meer dan 15.000 man tellen.[2] Veel meer dan een beperkte kustverdedigingstaak was met deze vloot niet mogelijk.

Ruim vijftien jaar accepteerde Duitsland dit verbod. Drie van de pre-dreadnought pantserschepen werden vervangen door nieuwe pantserschepen die officieel de opgelegde limieten respecteerden, maar in werkelijkheid toch de opgelegde beperking qua tonnage flink overschreden. Ook de lichte kruisers werden vervangen, weerom met overschrijding van de tonnage beperkingen.

In 1928 werd Erich Raeder, een admiraal uit de Eerste Wereldoorlog, de bevelhebber van de Reichsmarine.

Het Engels-Duits vlootverdrag van 1935Bewerken

Met de machtsovername van Hitler in 1933 traden echter de eerste veranderingen op. Er werden plannen gesmeed om de marine flink uit te breiden en ook weer om onderzeeboten te gaan produceren. De Reichsmarine werd in 1935 omgedoopt tot Kriegsmarine. Nog in juni van datzelfde jaar kwam het Brits-Duitse vlootverdrag tot stand, volgens welke het aan Duitsland weer werd toegestaan slagschepen en onderzeeboten te bouwen en de marine tot 35% van de sterkte van de Royal Navy uit te breiden. Hiermee kwam de facto een einde aan het Verdrag van Versailles, en Duitsland zag dit als het startsein voor zijn herbewaping. De Britten waren hierover niet verontrust, eerder integendeel aangezien Duitsland zich beperkte tot 35%, een derde van het Brits potentieel waardoor ze nooit een bedreiging zouden vormen.[3] Het tempo waarin daarna nieuwe slagschepen en onderzeeboten van stapel liepen toonde niet alleen aan dat de nieuwe scheepsontwerpen al klaar lagen voordat het verdrag tot stand kwam, maar dat sommige schepen zelfs al in aanbouw waren. De eerste onderzeeër werd al één week na het afsluiten van het vlootverdrag in dienst genomen. Karl Dönitz, een onderzeebootkapitein uit de Eerste Wereldoorlog, werd benoemd tot opperbevelhebber van de U-booteenheid.[4]

Binnen drie jaar nadat Hitler aan de macht was gekomen beschikte Duitsland weer over een effectieve marine. Door de slechte economie, waardoor veel koopvaardijmaatschappijen failliet waren gegaan, was het bovendien niet moeilijk om ervaren zeelui te rekruteren.

De beperking van 35% gold per categorie. Door het vlootverdrag kan Duitsland beginnen met de bouw van de volgende schepen:

  • Slagschepen: hiervoor was 183.000 ton beschikbaar. Aangezien de drie pantserschepen als slagschip vervangers gebouwd waren, werd hun 36.000 ton tot deze categorie gerekend. Twee slagkruisers van de Scharnhorst - klasse waren al in aanbouw. oorspronkelijk waren ze voorzien als een sterk vergrote versie van de eerdere pantserschepen, maar nu werden ze als volwaardig slagschip afgewerkt. Voor elk schip rekende men 32.000 ton zodat er ruimte was voor 2 extra schepen van de Bismarck - klasse. Door het Engels-Duits vlootverdrag zag Duitsland Engeland totaal niet meer als een potentiele vijand, de twee Scharnhorst-klasse slagschepen werden gezien als tegenhanger van de Franse twee Dunkerque slagschepen, en de twee Bismarck-klasse schepen werden gezien als tegenhanger van de twee grotere Franse Richelieu slagschepen.[5]
  • Zware kruisers: de zes bestaande lichte kruisers waren maar 6000 ton groot en eigenlijk veel te klein om een gevecht met moderne kruisers aan te gaan. Alle grote mogendheden ( Japan, Frankrijk, italië, Engeland, Verenigde Staten ) bouwden in navolging van het Vlootverdrag van Washington zogenaamde 'Washington' kruisers die een limiet van 10.000 ton hadden en een hoofdbewapening van max 20cm kanonnen. Voor zware kruisers kreeg Duitsland 51.380 ton toebemeten, en daarmee kon men vijf zware kruisers van de Admiral Hipper - klasse op stapel zetten.[6]
  • Twee vliegdekschepen
  • Torpedobootjagers en torpedoboten: de Duitsers waren al begonnen met de bouw van grotere torpedobootjagers in 1934, het vlootverdrag officialiseerde de bouw van deze schepen.
  • Onderzeeërs: hier kregen de Duitsers 45% toegewezen in plaats van de 35% voor andere categorieën. Dönitz was er persoonlijk van overtuigd dat een oorlog met Engeland niet te vermijden was, terwijl Raeder scrupuleus vasthield aan de letter en de geest van het verdrag. Dönitz wou enkel aanvalsonderzeeërs van 500 ton die ideaal waren voor aanvallen op Engelands konvooien, maar Raeder gaf opdracht tot het bouwen van een meer gebalanceerde vloot: kustonderzeeërs van 250 ton, langeafstandsonderzeeërs van 750 ton, en ook aanvalsboten van 500 ton, maar die maakten maar één derde van het totaal aantal U-boten uit.[7]

Z-PlanBewerken

Doordat Hitler in mei 1938 mislukte in zijn eerste poging om het Sudetenland te annexeren, zag hij in dat een oorlog met Groot-Brittannië nu plots wél tot de mogelijkheden behoorde. In een eerste stap werd een clausule van het vlootverdrag ingeroepen dat toeliet om evenveel onderzeeërs te bouwen als Groot-Brittannië, maar eigenlijk wilde Hitler van het vlootverdrag af en een marine uitbouwen die het kon opnemen tegen Groot-Brittannië. Tegen eind 1938 werd een doel (Duits: 'Ziel', vandaar Z-Plan) opgesteld met de volgende kernpunten:[8]

  • Bouw van zes superslagschepen van 72.000 ton
  • Afwerking van de huidige twee Bismarck-klasse slagschepen die in bouw zijn
  • Ombouw van de huidige twee Scharnhorst-klasse slagschepen naar volwaardige slagschepen door hun hoofdbewapening van negen 28cm kanonnen naar zes 38cm kanonnen te brengen.
  • Bouw van drie slagkruisers
  • Bouw van vier vliegdekschepen
  • Uitbreiding van de lichte kruiser vloot naar 48 eenheden
  • Uitbreiding van de torpedobootjager vloot naar 68 eenheden
  • Uitbreiding van de onderzeevloot naar 249 eenheden. Alhoewel het Z-plan specifiek tegen Engeland gericht was, kon Dönitz nog altijd zijn zin niet doordrijven: slechts 100 van de 249 U-boten waren aanvalsboten van 500 ton. De rest waren kustonderzeeërs, U-boten voor de lange afstand, mijnenleggers of zelfs U-kruisers.[8]

Uiteindelijk vereiste Z-Plan zo'n 800 schepen en ruim 200.000 manschappen. De totale begroting koste zo'n 33 miljard Reichsmark, destijds een waanzinnig groot geldbedrag. Het plan zelf werd geheim gehouden, de Duitsers probeerden nog altijd Engeland officieel te vriend te houden, maar bij de eerste de beste gelegenheid zou men het publiek maken en rechtvaardigen. Nog altijd verwachtte men niet direct oorlog met Engeland, de schepen zouden pas in 1945 klaar zijn.[9]

Er waren twee richtingen in de Dutise kriegsmarine over het voeren van een oorlog ter zee met Engeland. De eerste richting was eerder klassiek: met een grote slagvloot de confrontatie opzoeken en de Britse vloot vernietigen, stijl Zeeslag bij Jutland. De andere richting concentreerde zich eerder op het afsnijden van de Britse bevoorradingsroutes door het vernietigen van konvooien. Om uit te breken naar de Atlantische oceaan had je daar evengoed grote, sterke slagschepen voor nodig dus beide richtingen vonden zich in het bouwen van slagschepen. Maar daarnaast wou de tweede richting ook nog meer pantserschepen bouwen, die als raider op verdere konvooiroutes ingezet konden worden.[9]

Al na negen maanden was het Plan-Z achterhaald door het uitbreken van de tweede wereldoorlog. Al deze grote schepen konden niet op tijd gebouwd worden. Van sommige schepen had men al de kiel gelegd, maar die werden terug afgebroken. Alleen torpedobootjagers en kleinere schepen werden nog verder gebouwd.[10]

Ook de elf grote schepen die gepland waren na het vlootverdrag van 1935, konden niet allemaal afgewerkt worden:

  • Het eerste vliegdekschip Graf Zeppelin was tewatergelaten en voor 85% afgebouwd, maar het is nooit volledig afgewerkt en operationeel geworden. Het tweede, Flugzeugträger B, werd gesloopt op de scheepshelling.
  • Het eerste slagschip Gneisenau was operationeel kort voor het uitbreken van de oorlog, en de Scharnhorst in oktober 1939. De Bismarck en Tirpitz moesten nog afgewerkt worden en zouden pas in 1941 operationeel worden.
  • De eerste zware kruiser Admiral Hipper was in april 1939 in dienst gesteld, de Blücher zou in 1940 volgen en de Prinz Eugen in 1941. De laatste twee: de Seydlitz en Lützow werden tewatergelaten maar niet afgebouwd. De onafgewerkte Lützow werd aan de Sovjetunie verkocht in kader van het Molotov-Ribbentrop pact.

De schepen van de KriegsmarineBewerken

  Zie Lijst van schepen van de Kriegsmarine voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Inzet en prestaties van de kleinere Duitse oppervlakteschepenBewerken

De kleinere hulpkruisers waren succesvol gedurende de Tweede Wereldoorlog. In totaal waren er negen van deze schepen, die samen goed waren voor 142 gezonken of buitgemaakte schepen. In totaal slaagden de kruisers erin om meer dan 870.000 aan vijandelijke scheepslading te zinken. De negen schepen werden in totaal bemand met slechts 3000 man aan Kriegsmarinepersoneel maar waren hiermee toch vele malen succesvoller dan de veel bekendere grote kruisers. De Kormoran slaagde er zelfs in de Australische lichte kruiser Sydney tot zinken te brengen. De namen van de hulpkruisers waren:

Ook de nog kleinere Schnellboote boekten grote successen. In totaal werden 101 koopvaardijschepen van in totaal 214.728 ton tot zinken gebracht door E-boten. Bijkomende claims omvatten 12 torpedobootjagers, 11 mijnenvegers, acht landingsschepen, zes MTB's, een torpedoboot, een mijnenlegger, een onderzeeër en een aantal kleinere vaartuigen zoals vissersboten. Ze beschadigden ook twee kruisers, vijf torpedobootjagers, drie landingsschepen, een reparatieschip, een marinesleepboot en tal van koopvaardijschepen. Op 28 april 1944 vielen Schnellboote van de 6e en 9e flottieljes uit Cherbourg Operatie Tiger aan, waarbij ongeveer 749 Amerikaanse leger- en marine-slachtoffers vielen.

Operaties van de KriegsmarineBewerken

De U-boot campagne september 1939 - maart 1940Bewerken

De U-bootcommandant Günther Prien drong de zwaar bewaakte marinebasis Scapa Flow binnen en vernietigde daar het slagschip Royal Oak.

De eerste raidersBewerken

Bij het uitbreken van de oorlog zijn twee pantserschepen Deutschland en Admiral Graf Spee ontplooid op zee. De vijandelijkheden langs Duitse kant beginnen nog niet direct ; Hitler hoopt dat de oorlog de-escaleert en wacht tot 24 september vooraleer toestemming te geven om zonder restricties koopvaarders aan te vallen.[11] De Deutschland opereert in Noord-Atlantische wateren en de Graf Spee in Zuid-Amerikaanse. De Deutschland heeft niet veel succes en kan slechts twee schepen vernietigen alvorens het schip in november 1939 terugkeert.[12] De Graf Spee heeft meer succes en kan negen koopvaarders tot zinken brengen. Het schip opereert ook in de Indische Oceaan. In december 1939 wordt het schip onderschept door drie Britse kruisers en in de Zeeslag bij de Río de la Plata loopt het schip zoveel schade op dat het uiteindelijk voor de kust van Montevideo vernietigd werd door de bemanning om een overgave te voorkomen.[13] Daarmee eindigt voorlopig de inzet van oppervlakteschepen tegen de Britse koopvaardij.

De inval in Noorwegen en de torpedo crisisBewerken

Alle beschikbare schepen van de Kriegsmarine werden ingezet voor Operatie Weserübung, de invasie van Noorwegen en Denemarken. De eerste golf van de invasie steunde volledig op de Duitse vloot, om zes steunpunten langs de Noorse kust in te nemen. Aangezien de geallieerden gelijkaardige plannen hadden, was het een uiterst riskant plan ; men hield er rekening mee dat de helft van de vloot verloren kon gaan.[14] Uiteindelijk bleek dat ook te kloppen: van de twee slagschepen werd er één beschadigd, van de drie zware kruisers werd de Blücher tot zinken gebracht, de Admiral Hipper en de Lützow werden beide beschadigd ; de eerste was een paar weken buiten strijd, de andere bijna een volledig jaar. Van de vier lichte kruisers gingen ook de Köln en de Karlsruhe verloren. Bij Narvik waren tien grote torpedobootjagers in twee opeenvolgende zeeslagen vernietigd. De Britse vloot zette de tegenaanval in en voerde ook landingen in Noorwegen uit.

De Duitse onderzeeërs voerden vele aanvallen uit op de Britse vloot en bevoorradingsschepen, maar die mislukten allemaal door ontwerpfouten in de torpedo's. Ofwel werkte de ontsteking niet, of het nu een magnetische ontsteking was of een contact onsteking, ofwel stuurden de torpedo's te diep en gingen ze onder de schepen door. Diverse aanvallen op een slagschip, zware kruisers en troepentransportschepen mislukten hierdoor.[15]

Vooraleer de Noorse campagne eindigde, kon de Duitse vloot nog terugslaan: in Operatie Juno probeerde het Duitse slageskader een raid uit te voeren op de Britse basis Harstadt in Noorwegen. Toen de Britten zich bleken terug te trekken onderschepten de Scharnhorst en Gneisenau het vliegdekschip Glorious en brachtten het tot zinken.[16]

De slag om de Atlantische oceaan juni 1940 - mei 1945Bewerken

  Zie Slag om de Atlantische Oceaan voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Vanaf januari 1940 gaf hij de opdracht aan alle U-boten om voortaan elk koopvaardijschip te torpederen. De bedoeling was om Groot-Brittannië volledig van Europa en Amerika te isoleren en zonder bevoorrading te zetten. Raeder gaf hiermee het startsein voor een U-bootoorlog die bijna vijf jaar zou duren en zich over de gehele wereld zou afspelen. Raeder ging ervan uit dat Groot-Brittannië binnen een jaar van alle bevoorradingslijnen zou zijn ontdaan. Het plan pakte anders uit: Groot-Brittannië bouwde op grote schaal nieuwe schepen en vond steeds weer nieuwe manieren om de U-bootkapiteins te slim af te zijn. Tijdens de U-bootoorlog brachten de Duitsers bijna 3000 schepen tot zinken, hiertegenover stonden zware verliezen: 800 schepen en ruim 40.000 man gingen ten onder.

In 1941 was de Kriegsmarine van de verliezen rond Noorwegen hersteld en voerde met de Scharnhorst, Gneisenau, Admiral Hipper en de Admiral Scheer succesvolle raids uit op de Atlantische Oceaan, waarbij meer dan veertig geallieerde schepen tot zinken werden gebracht. In mei 1941 startten het nieuwe slagschip Bismarck samen met de nieuwe zware kruiser Prinz Eugen een raid, maar die mislukte Tijdens een heftige zeeslag wist de Bismarck, samen met de zware kruiser Prinz Eugen, de Britse slagkruiser HMS Hood tot zinken te brengen en het slagschip HMS Prince of Wales zwaar te beschadigen. Enkele dagen later werd het schip door Fairey Swordfish-vliegtuigen met torpedo's aangevallen. De Bismarck raakte stuurloos en werd door Britse schepen en vliegtuigen tot een brandend, ineengeschoten wrak herleid. De Prinz Eugen keerde onverrichter zake terug en liep Brest binnen. Na deze dramatische mislukking raakten er geen Duitse schepen meer op de Atlantische oceaan.

De middellands zee en de zwarte zeeBewerken

De Kriegsmarine kreeg nu de opdracht om de bevoorrading te beschermen van het Afrikakorps van Erwin Rommel dat in Noord-Afrika vocht tegen de Britten. Duitse schepen, volgeladen met munitie en wapens, vertrokken vanuit Italië over de Middellandse Zee naar Noord-Afrika. De Kriegsmarine kon alleen U-boten sturen, die ongezien door de Straat van Gibraltar konden komen en uiteindelijk nooit meer uit de Middellandse Zee zouden terugkeren.

De fleet in being in Noorwegen en de Arctische konvooienBewerken

De Scharnhorst ging verloren bij een aanval op een arctisch konvooi op 26 december 1943. Gedurende 1944 werd de laatste gigant, de Tirpitz, voortdurend uit de lucht aangevallen en werd het schip herhaaldelijk zwaar beschadigd. In november 1944 wisten de Lancasters met de "earthquake" Tallboys de Tirpitz te laten kapseizen. 1000 bemanningsleden zaten in de romp opgesloten en kwamen om.

Door de weinig succesvolle acties einde 1942 van de grote Duitse schepen (Lützow en Admiral Hipper) om konvooien naar Moermansk te onderscheppen, besloot Hitler dat de rol van de oppervlaktevloot uitgespeeld was en werden alle resterende zes grote schepen in reserve geplaatst. De verbouw aan de Gneisenau werd gestaakt en het schip werd aan het einde van de oorlog in Gotenhafen (Gdynia) door de Duitsers tot zinken gebracht.

De Baltische zee 1944-1945Bewerken

Aan het einde van de oorlog waren de zware kruisers Prinz Eugen, Admiral Hipper en de vestzakslagschepen Admiral Scheer en de Lützow de enige vier grote schepen, tezamen met drie lichte kruisers, zo'n twintig torpedobootjagers en een paar honderd duikboten en onderzeeboten, die de oorlog overleefd hadden. Zij redden nog vele duizenden vluchtelingen uit het omsingelde Oost-Pruisen uit handen van het Rode Leger. Daarbij werd na aankomst wel de Admiral Scheer in de haven door de RAF tot zinken gebracht, liep de Lützow op een zeemijn en werd de Admiral Hipper door de RAF beschadigd. De Russen torpedeerden de Wilhelm Gustloff, de Steuben en de Goya, die drie van de grootste scheepsrampen van de geschiedenis waren en waarbij tussen de vijftien- en twintigduizend vluchtelingen verdronken.

Mei 1945Bewerken

Tijdens Operatie Regenboog werden vele U-boten door hun eigen bemanning tot zinken gebracht. Alleen de Prinz Eugen en de Nürnberg werden intact door vijand veroverd.

Het functioneren van de U-botenBewerken

 
De duikbootbasis in Lorient

In tegenstelling tot de oppervlaktemarine opereerden de U-boten met meer succes. Met name in de eerste jaren was het succes van onderzeeboten groot. In de jaren 1940-1942 waren de geallieerden niet goed in staat om de Duitsers het hoofd te bieden op zee. Na de veroveringen van Noorwegen en Frankrijk kregen de Duitsers er bovendien strategische uitvalsbases bij. Er werden op tien plekken - verdeeld over Noorwegen, Duitsland en Frankrijk - speciale onderzeebootbases gebouwd in Lorient (met hoofdkwartier), Trondheim, Bergen, Helgoland, Brest, Saint-Nazaire, La Pallice, Bordeaux, Hamburg en Bremen. Hier konden de U-boten beschutting zoeken tegen geallieerde vliegtuigen en waren ze veilig tijdens reparaties. Hoewel diverse van deze bunkers hevig werden aangevallen, werd geen van allen door bombardementen uitgeschakeld.

Pas toen de Britten de Enigma-codes met behulp van Ultra snel konden ontcijferen en hun radar sterk verbeterd was, kwam er een keerpunt in de U-bootoorlog. Zonder dat de Duitsers wisten dat hun codes ontcijferd werden, gaven de U-bootkapiteins hun posities door. Waar in 1943 nog een tonnage van 2,3 miljoen tot zinken werd gebracht, steeg vanaf mei 1943 het aantal verloren U-boten ook drastisch. Waar in 1942 het aantal van 87 U-boten tot zinken werd gebracht, was dit alleen al in mei 1943 al 43 stuks.

Tijdens de oorlog verloor Duitsland ruim 750 van de gevechtsklare ruim 1150 onderzeeboten en 75% van alle oppervlakteschepen. Ruim 60.000 mannen overleefden de zeegevechten niet, ongeveer gelijk verdeeld over oppervlakteschepen en de onderzeeboten.

Na de oorlogBewerken

Een deel van de Kriegsmarine werd na de oorlog door de westelijke geallieerden in stand gehouden als mijnenruimdienst. Op 31 december 1947 werd ook dit laatste restant van de Kriegsmarine ontbonden. In de jaren 50 werden in West- en Oost-Duitsland respectievelijk de Bundesmarine en de Volksmarine opgericht. Na de Duitse hereniging in 1990 werden ze verenigd tot de Deutsche Marine.

Drie U-boten werden als museum bewaard (plus een die later werd geborgen). Verder herinneren enkel nog twee drieloopsgeschuttorens van de Gneisenau, die deel uitmaakten van de restanten van de Atlantikwall in Noorwegen, de scheepsbel van de Admiral Hipper, een der schroeven van de Prinz Eugen en een plaatselijke gedenksteen aan de voormalige Kriegsmarine.

ReferentiesBewerken

Externe linksBewerken

Zie de categorie Kriegsmarine van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.