Hoofdmenu openen

Kattenburgerbrug

brug in Amsterdam

De Kattenburgerbrug (brug 274) is een basculebrug in Amsterdam-Centrum.

Kattenburgerbrug
Een bijna verkeerloze Kattenburgerbrug (mei 2017)
Een bijna verkeerloze Kattenburgerbrug (mei 2017)
Algemene gegevens
Locatie Amsterdam-Centrum
Overspant Nieuwevaart
Lengte totaal 15 m
Breedte 27 m
Brugnummer 274
Bouw
Bouwperiode 1964-1967
Gebruik
Weg Prins Hendrikkade, Kattenburgerstraat
Architectuur
Type basculebrug
Architect(en) Dirk Slebos van de Dienst der Publieke Werken
Materiaal beton
Bijzonderheden een geheel met Kortjewantsbrug
Portaal  Portaalicoon   Verkeer & Vervoer

LiggingBewerken

De brede verkeersbrug vormt de verbinding tussen aan de ene kant de Prins Hendrikkade en het Kadijksplein (beide zuidwest) en aan de andere kant de Kattenburgerstraat, Kattenburgerplein en de Kattenburgergracht (noordoost). Onder de brug loopt de scheidslijn tussen de wateren Oosterdok en Nieuwevaart. Direct ten noordoosten van de brug ligt het rijksmonument Scheepvaartmuseum, direct ten zuidoosten het gemeentelijk monument het Zeemanshuis (voormalig Kweekschool voor de Zeevaart).

GeschiedenisBewerken

Er ligt hier al eeuwen een brug. Stadsarchitect Daniël Stalpaert tekende hier al een brug in op de grens tussen zijn ontwerp voor de stad tussen Amstel en De Nieuwe Vaert en het Scheepvaartmuseum en bewoning aan de Kattenburgerstraat. Gerrit de Broen tekende op zijn plattegrond uit 1737 een dubbele ophaalbrug in en vermeldde ook al haar naam "Kattenburgs Brug" bij het "’s Lands Magazyn" op het "Kattenburgs Pleyn". Die brug is ook te vinden op een schilderij van Jonas Zeuner uit eind 18e eeuw.

De moderne geschiedenis van de brug begint in 1876 toen hier een gelijkarmige draaibrug met twee aanbruggen werd neergelegd. Zij had een doorvaartbreedte van 17,25 meter met voor de grote vaart helaas het draaipunt in het midden met een aanvaarbeveiliging. Die brug was geleverd door Paul van Vlissingen (Stoom- en andere Werktuigen). Die Nieuwevaart was toen nog een belangrijke binnenhaven met bijvoorbeeld de NSM. De draaibrug werd ontworpen door de Dienst der Publieke Werken waar toen Bastiaan de Greef en Willem Springer werkten. De versieringen op de brug hebben daarom iets weg van hun beider magnus opus, de Blauwbrug. Bovendien lag hier eind 19e begin 20 eeuw een spoorwegemplacement met Stopplaats Kattenburgerbrug, er lag nog geen weg langs de kade; verkeer kon eigenlijk alleen naar het noorden via de Kattenburgerstraat naar het IJ. De firma, die de brug leverde, was verderop gevestigd aan de Oostenburgergracht en zou later uitgroeien tot Werkspoor. In 1931 wilde gemeente Amsterdam de verkeersstromen hier aanpassen middels het "Voorlopig schema van verkeersverbeteringen in de binnenstad". Het was een traject van jaren om het verkeer alleen langs de noordrand van die binnenstad te laten doorstromen. Het oorspronkelijk traject ter plaatse zou dwars door het Scheepvaartmuseum leiden en werd in de loop der jaren (het duurde nog talloze jaren voordat alles uitgevoerd was) steeds aangepast. In 1952 werd het spoorwegemplacement verwijderd en er kwam een weg. Het zou een, zo niet de uitvalsweg worden vanuit het centrum.

In 1962 ontwierp Dirk Slebos (opnieuw van Publieke Werken) achter zijn tekentafel een groot verkeerssysteem hier, met twee brede verkeersbruggen in een stompe hoek. De eerste werd de Kortjewantsbrug (brug 487), de tweede deze Kattenburgerbrug. De bruggen zijn dan ook voor wat betreft ontwerp zusjes van elkaar. Om het verkeersysteem te kunnen plaatsen moest ook een deel van het Oosterdok aangeplempt worden. De Kattenburgerbrug werd aangelegd net ten oosten van de draaibrug. De val die uiteindelijk 27 meter breed en 15 meter lang werd, werd in delen aangebracht met behulp van een kraan op een ponton. Een elektromotor van 48 pk was nodig om de brug in beweging te krijgen. Tussen beide genoemde bruggen kwam voorts een brugwachtershuisje, waar vanuit deze twee bruggen maar ook bijvoorbeeld de Scharrebriersluis bediend kon worden. Slebos was een architect die een scheiding wilde doorvoeren tussen snel en langzaam verkeer, vandaar dat onder de Kattenburgerbrug tevens een voetpad werd geconstrueerd met trappen en dergelijke. In later jaren trokken deze onderdoorgangen allerlei gespuis aan, waardoor ze op een gegeven moment alleen nog maar gebruikt werden door daklozen en/of drugsverslaafden. De doorgangen werden afgedicht.

De brug kreeg na oplevering steeds minder grote verkeersstromen te verwerken, de brug kreeg daarbij dus een grotere capaciteit dan noodzakelijk is. Na oplevering bleef de gemeente Amsterdam namelijk bezig met het weren van de auto’s uit de binnenstad en werd deze route versmald. Snelverkeer ging via de noordelijker gelegen brede Piet Heinkade de stad in en uit.