Hoofdmenu openen

In de spreektaal in Nederland, evenals in veel Nederlandse dialecten, komt behalve zij, ze en die ook het woordje hun als onderwerpsvorm voor het persoonlijk voornaamwoord van de derde persoon meervoud voor. In Vlaanderen en Suriname komt dit gebruik van hun niet voor. In Vlaanderen wordt wel soms hem gezegd in plaats van hij, maar nooit aan het begin van een zin.

AchtergrondBewerken

  Zie ook Nederlandse grammatica#Persoonlijke voornaamwoorden, Zij (voornaamwoord) en Hen/hun-onderscheid

Het pronomen hun is volgens de grammaticale regels van het Nederlands het bezittelijk voornaamwoord voor de derde persoon meervoud en tevens een van de vormen van het persoonlijk voornaamwoord voor de derde persoon meervoud, die bij het meewerkend voorwerp. Na een voorzetsel en in de functie van lijdend voorwerp dient men volgens de officiële regels hen te gebruiken.

In de informele spreektaal is hun daarentegen vaak meer in het algemeen de voorwerpsvorm – het hen/hun-onderscheid leeft hier nagenoeg niet – naast de recenter opgekomen vorm voor het onderwerp. Het onderwerp derde persoon meervoud is van oudsher zij/ze, maar deze vorm valt samen met het persoonlijk voornaamwoord van de derde persoon enkelvoud vrouwelijk. Het gebruik van hun in plaats van zij of ze als onderwerp vermindert deze ambiguïteit.[noten 1]

Hun wordt daarnaast in het algemeen gebruikt om naar levende wezens en met name personen te verwijzen, niet naar zaken of abstracte begrippen.[noten 2] Dit geldt tevens voor hun als onderwerp, dat helemaal is gereserveerd voor personen. Op grond hiervan stelden onderzoekers van de Radboud Universiteit in 2010 dat het Nederlandse taalsysteem hierdoor efficiënter wordt.[1]

Voorbeeldgebruik in niet-StandaardnederlandsBewerken

Hun hebben het gedaan.
Waar zijn de kinderen? Hun spelen in de zandbak.
*Zie je de koeien? Hun staan in de wei. (zeer twijfelachtig of uitgesloten)
*Waar zijn de boeken? Hun liggen op de bank. (uitgesloten)

GeschiedenisBewerken

De onderwerpsvorm hun werd in 1911 voor het eerst opgetekend, onder meer rond Haarlem, als vervanging van het dialectale hullie.[2] Ook Anne Frank gebruikte in de onbewerkte versie van haar dagboek hun al als onderwerp.[3] Na de Tweede Wereldoorlog moet het verschijnsel zich echt in brede kringen zijn gaan verspreiden in met name het westen van Nederland. In 1954 werd er in het decembernummer van Onze Taal melding van gemaakt.[4] Opmerkelijk is dat ook oudere sprekers het zijn gaan overnemen.

Hun in de functie van onderwerp is inmiddels gemeengoed in de Zuid-Hollandse stadsdialecten. Het wordt ook bij sprekers die zich meer aan het Standaardnederlands aanpassen regelmatig gehoord.

Normatieve regelsBewerken

Sinds dit gebruik zich vanaf het eind van de 20e eeuw snel is gaan verspreiden binnen Nederland, hebben de reacties ertegen zich al even snel verspreid. In onderwijsinstellingen wordt er nog vaak met klem op gewezen dat hun als onderwerp fout is. Ook de Algemene Nederlandse Spraakkunst stelt dat dit gebruik als fout dient te worden beschouwd en uitgesloten is in het Standaardnederlands.[5] In puur taalkundige termen, waar men in het algemeen niet van taalfouten spreekt bij woorden en grammaticale constructies die algemeen gebruikelijk zijn ongeacht of ze in overeenstemming zijn met de normatieve grammatica, geldt het gebruik van hun als onderwerp inmiddels echter als substandaard: gebruikt in een context die geen dialect is en deel uitmaakt van nagenoeg hetzelfde taalsysteem als de standaardtaal, maar die om normatieve redenen niet tot de standaardtaal zelf wordt gerekend.

OnderzoekBewerken

Uit een sociolinguïstisch onderzoek dat in 2006 werd uitgevoerd door studenten van de Radboud Universiteit bleek het gebruik van hun als onderwerp het sterkst aanwezig in en rondom Beek bij Nijmegen, Swalmen en Schijndel. Van de onderzochte plaatsen was Eijsden de enige waar hun als onderwerp nooit voorkwam.[6]

De taalkundige Jan Stroop, die in 1998 in zijn boekje Poldernederlands onder andere dit verschijnsel uitvoerig beschreef, sprak het vermoeden uit dat de onderwerpsvorm hun rond het jaar 2020 algemeen geaccepteerd zou zijn. Ook de taalkundige Roeland van Hout heeft de verwachting uitgesproken dat hun als onderwerp stand zal houden. Hij wijst tevens op een parallelle ontwikkeling in het Zweeds, waar de, de onderwerpsvorm van het persoonlijk voornaamwoord voor de derde persoon meervoud, sinds de 18e eeuw dezelfde uitspraak heeft als de bijbehorende voorwerpsvorm dem, namelijk /dom/.

Zie ookBewerken