Hoofdmenu openen

De geslachtsorganen zijn de organen bij meercellige organismen die primair voor de geslachtelijke voortplanting dienen. Ze zijn bepalend voor de vruchtbaarheid. Er is een grote verscheidenheid aan soorten met geslachtelijke voortplanting, elk met specifieke geslachtsorganen.

Inhoud

PlantenBewerken

Voortplaning algemeen schema[1]

Heterospore tweehuizige planten

  • macrosporofyt (2n, ♀ plant)
    • macrosporofyl / vruchtblad
      • macrosporangium, nucellus
        • macrosporemoedercel, macrosporocyt
           meiose
          • macrospore, ♀ spore (1n)
            • macroprothallium
              • archegonium
                • steriele archegoniumwand
                • archegoniumhals en halskanaal
                • 1 eicel, ♀ gameet
                  bevruchting ( ♂ gameet)
                  • zygote (2n, ♀ of ♂)
                    • embryo (♀ of ♂)
  • microsporofyt (2n, ♂ plant)
    • microsporofyl, meeldraad
      • microsporangium
        • microsporemoedercel, microsporocyt
           meiose
          • microspore, ♂ spore (1n)
            • microprothallium
              • antheridium
                • steriele antheridiumwand
                • ♂ gameten

De primaire voortplantingsorganen van Embryophyta (landplanten), waartoe onder andere de mossen, de varens, de naaktzadigen en de bedektzadigen behoren, zijn de gametangia: de vrouwelijke archegonia en de mannelijke antheridia. Deze orgaantjes zijn van microscopische afmetingen, en vooral bij de naakt- en bedektzadigen sterk gereduceerd en nauwelijks meer waarneembaar. De landplanten worden gekenmerkt door een generatiewisseling en een kernfasewisseling: de haploïde gametofyt-fase (haplofase) wisselt af met de diploïde sporofyt-fase (diplofase).

Bij de mossen is het "mosplantje" de haploïde gametofyt, die de archegonia en de antheridia vormt. De in het antheridium gevormde zaadcellen zwemmen naar het archegonium en bevruchten daar de eicel.

Bij varens is er een afwisseling van individuen: een kleine gametofyt wisselt af met een goed ontwikkelde sporofyt. De "varenplant" is de diploïde sporofyt. Deze vormt de haploïde sporen in sporangia. De sporen groeien uit tot de gametofyten. Hierop staan de archegonia en de antheridia. De in het antheridium gevormde zaadcellen zwemmen naar het archegonium en bevruchten daar de eicel.

De geslachtsorganen van de bedektzadige planten zijn in principe de archegonia en de antheridia. Deze zijn sterk gereduceerd en bestaan slechts uit weinige cellen. De mannelijke meeldraden en de vrouwelijke stamper worden hier beschouwd als de geslachtsorganen omdat daarbinnen de mannelijke geslachtscellen, respectievelijk de eicellen worden gevormd.

De mens en andere dierenBewerken

Veel zoogdieren hebben zowel uitwendige als inwendige geslachtsorganen.

  • De zichtbare, uitwendige geslachtsdelen van de mens zijn de penis en het scrotum bij de man, en de vulva bij de vrouw. De zichtbare geslachtsdelen worden bij mens ook wel schaamdelen genoemd, omdat ze in vele culturen (zoals de westerse) vaak het onderwerp van gêne zijn.
  • De onzichtbare, inwendige geslachtsorganen zijn de clitoris, vagina, eierstokken en baarmoeder bij de vrouw, en de prostaat bij de man.

Vogels, reptielen en amfibieën hebben een polyvalente cloaca. Het bepalen van het geslacht van een (jong) dier aan de hand van de geslachtsorganen heet seksen.

PathologieBewerken

Ernstige problemen met de geslachtsorganen leiden tot onvruchtbaarheid.

Aandoeningen die via contact met de genitaliën worden doorgegeven noemt men geslachtsziekten. Zij hebben echter niet altijd of uitsuitend betrekking op de geslachtsorganen zelf (soms veroorzaken zij weinig meer dan ongemak) en/of de vruchtbaarheid, maar kunnen in sommige gevallen, zoals aids, zelfs dodelijk zijn.

Zie ookBewerken