Discipel (christendom)

christendom

Met discipelen worden in het christendom de door Jezus Christus uitgekozen volgelingen aangeduid, en in het bijzonder de intieme groep van twaalf, de twaalf discipelen of de twaalf apostelen. In sommige moderne Bijbelvertalingen zoals de Nieuwe Bijbelvertaling en Willibrordvertaling heten zij leerlingen. Daarnaast wordt het begrip 'discipel' (of 'leerling') in de Bijbel gebruikt om iedereen mee aan te duiden die een aanhanger is van (de leer van) Jezus. Het begrip 'discipel' wordt soms gebruikt als synoniem voor 'apostel', maar niet altijd.

Jezus Christus met zijn discipelen

Het woord komt van het Latijnse discipulus, dat 'leerling' betekent.

In veel kerken spreekt men ook wel van 'discipelschap', waarmee men de gelovigen aanduidt als volgelingen en leerlingen van Jezus.

Volgens de evangeliën kwam Jezus Christus niet naar de aarde om gediend te worden, maar om te dienen. Zo mogen volgelingen van Jezus Hem navolgen in discipelschap. De Amerikaanse nieuwtestamenticus Richard Hays stelt in zijn boek The Moral Vision of the New Testament dat de norm voor discipelschap wordt bepaald door het kruis van Jezus Christus. Jezus' eigen dienstbaarheid en gehoorzaamheid is het patroon voor de discipelschap van de gelovigen.[1]

ReferentiesBewerken

  1. Richard Hays, The Moral Vision of the New Testament, pagina 197.