Cerinthus

theoloog uit Syrië (-)

Cerinthus was een christelijk leraar in de tweede helft van de eerste eeuw. Waarschijnlijk heeft hij het eerste deel van zijn leven in Palestina doorgebracht. Het grootste deel van zijn leven zou hij onderwezen hebben in Klein-Azië. Cerinthus zou een school hebben gevestigd in de streek Galatië. Hij zou daar ook tot de meeste van zijn opvattingen zijn gekomen. Sommige bronnen melden dat hij een opleiding in Alexandrië had ontvangen.

Zijn opvattingen zijn alleen bekend omdat die door latere auteurs uit de Oudheid beschreven werden. Al die auteurs waren opponenten van die opvattingen. Cerinthus wordt met de reeds in Handelingen beschreven Simon Magus in het Epistula Apostolorum (geschreven tussen 120 en 140) benoemd als de belangrijkste tegenstander van de apostelen. Cerinthus is daarmee de vroegst beschreven ketter in bronnen buiten het Nieuwe Testament.

Bronnen uit de OudheidBewerken

In die bronnen worden twee verschillende beelden van de opvattingen van Cerinthus beschreven. In het westen schreven Ireneüs (140-2020), Hippolytus (170-235) en Pseudo-Tertullianus ( na ca. 230) dat Cerinthus onderwees dat de wereld niet door God is gecreëerd maar door een kracht die ver verwijderd stond van God en die ook onwetend van God was. Jezus zou ook een biologische zoon van Jozef en Maria en ontkende daarmee de maagdelijke geboorte. Na of bij zijn doop zou Christus in de vorm van een duif op hem neergedaald zijn Pas daarna proclameerde hij de zoon van God te zijn en verrichte wonderen. Vlak voor of tijdens zijn kruisiging zou Christus Jezus weer verlaten hebben. Jezus verrees uit de dood, maar Christus bleef passief omdat dit alleen een geestelijk wezen was.

Pseudo-Tertullianus voegde hieraan toe dat volgens Cerinthus de wereld gecreëerd was door engelen en het goddelijk karakter van Jezus geheel ontkende. Ook de Mozaïsche wet zou door engelen gegeven zijn. Volgens Cerinthus zou de hoogste God een engel zijn. Pseudo-Tertullianus schreef ook dat Ebion, de veronderstelde leraar van de joods-christelijke groepering van de ebionieten een leerling van Cerinthus zou zijn. Het historisch bestaan van Ebion is op het vakgebied omstreden.

Hippolytus citeert een zekere Gaius die stelde dat zowel het evangelie van Johannes als de Openbaring niet geschreven zouden zijn door Johannes maar door Cerinthus. Deze zou ook een aanhanger zijn voor het handhaven van gebruiken als de circumcisie en was een tegenstander van de opvattingen van Paulus dat dit voor nieuwe christenen niet noodzakelijk was.

In het oosten schreef vooral Eusebius (265-340) over Cerinthus. Hij plaatste hem ook in de apostolische periode. Voor een deel van zijn beschrijving baseerde Eusebius zich een eerdere tekst van Dionysius van Alexandrië (overleden 264). Cerinthus wordt onder meer beschreven als een man die beweert zijn opvattingen verkregen te hebben uit openbaringen van engelen. Na de wederkomst van Jezus zal een koninkrijk gestalte krijgen waarin plaats is voor lusten en plezier. Er zal een bruiloftsfeest zijn dat duizend jaar zal duren.

Ook Epiphanius (ca.320-403) identificeerde Cerinthus met het vroegchristelijk jodendom en met name met de ebionieten. Ook Epiphanius noemt de tegenstelling tot de opvattingen van Paulus over het handhaven van de Wet die ook bij de ebionieten aanwezig was. Hij benoemt tevens dat Cerinthus net als de ebionieten de maagdelijke geboorte van Jezus afwezen. Epiphanius wees ook op overeenkomsten met het evangelie van de Ebionieten waar Christus ook pas bij de doop van Jezus in hem neerdaalt. [1]

Epiphanius creëerde een beeld van Cerinthus als een joods -christelijke gnosticus. Eusebius creëerde het beeld van Cerinthus als in de eerste plaats een chiliast, aanhanger van de notie dat er voor of na de wederkomst van Christus een duizendjarig vrederijk en/of een paradijs op aarde zal worden gevestigd. Augustinus (354-430) combineerde de beide beelden. In de Late Oudheid overheerste dan ook een beeld van Cerinthus als een joods-christelijk chiliastische gnosticus. In literatuur van de middeleeuwen lag de nadruk op het ontkennen door Cerinthus van de goddelijkheid van Jezus en de maagdelijke geboorte.

InterpretatiesBewerken

In publicaties uit de negentiende en tot diep in de twintigste eeuw werd Cerinthus of als gnosticus of als chiliast benoemd. Een enkele keer werd dat gecombineerd hoewel die combinatie dan volstrekt uniek zou zijn. Er is geen andere historische persoon in de geschiedenis van het vroege christendom bekend die zowel sterk chliliastische als gnostische opvattingen zou hebben.

Ook het benoemen van Cerinthus tot gnosticus is altijd enigszins problematisch geweest. Het is moeilijk voor te stellen op welke wijze Cerinthus in Klein-Azië tot de notie van een hogere en lagere god binnen het christendom kon komen. Indien echter de informatie dat hij enige tijd in Alexandrië heeft doorgebracht juist is, zijn er wel veronderstellingen te maken. Al voor de jaartelling waren er groeperingen in de marge van het jodendom , zoals de Maghariërs, die in het bestaan van twee goden geloofden. Deze notie zou zich bij joodse groeperingen in Alexandrië verder ontwikkeld hebben. Ook Philo van Alexandrië die dan in Alexandrië een tijdgenoot van Cerinthus moet zijn geweest, doceerde een opvatting waarin twee goden voorkwamen. Wel moet worden opgemerkt dat bij Cerinthus kenmerkende noties van de gnostiek als bijvoorbeeld het begrip gnosis ontbreken. In die zin blijft het een probleem om Cerinthus als gnosticus te benoemen.

Kritisch heronderzoek van de beschikbare bronnen heeft begin eenentwintigste eeuw een aantal andere interpretaties opgeleverd. Charles E. Hill ziet Cerinthus als een voorloper van Marcion. Ook Marcion was van opvatting dat er sprake was van een hoogste en een lagere god. De laatste had de wereld gecreëerd, werd door Marcion soms als rechtvaardig, maar ook als kwaad beschreven. Net zoals in sommige bronnen uit de Oudheid over Cerinthus is ook de lagere god van Marcion onwetend van het bestaan van de hogere god. De lagere god is bij Marcion identiek met de god van het Oude Testament.

In zowel de opvatting van Marcion als Cerinthus is de gekomen Christus de vertegenwoordiger van de hoogste God. In opvattingen van Marcion is echter sprake van zoons van zowel de hoogste als de laagste god.[2] Het element van chiliasme in het werk van Cerinthus wordt geïnterpreteerd op basis van onder meer een citaat uit het werk van Dionysius van Alexandrië dat voorkomt bij Eusebius. De essentie daarvan is dat het de nog te verwachten Christus is, de zoon van de laagste god, die een duizendjarig werelds koninkrijk zal brengen.[3]

Deze interpretatie van Hill is op het vakgebied niet onomstreden. Roelof van den Broek wijst de relatie tussen het chiliasme van Cerinthus en de opvatting van Marcion dat er een duizendjarig koninkrijk zou komen van een messias voor de joodse natie af. Hij wijst er ook dat de verwachting van een dergelijk koninkrijk op aarde met lusten, plezier en een eveneens duizend jaar durend bruiloftsfeest volstrekt onverenigbaar is met de – vaak naar ascese neigende – noties in de gnostiek over het lichaam en de materie meer in het algemeen.

Matti Myllykoski plaatst Cerinthus in een theologische opvatting die in de Engelstalige literatuur wel aangeduid wordt als possession theology. Dit gaat uit van de notie van een tijdelijke inbezitneming van een mens door een god, een kracht, tot een later geschetst model van permanente inbezitneming. In dit geval nam de Geest van God bij de doop bezit van Jezus die tot zijn dood in het bezit bleef van die Geest. Die Geest werd dan de Christus genoemd. Die Christus-Geest verliet hem aan het kruis. In andere literatuur wordt dit ook wel "Geest- christologie" genoemd en een aantal auteurs op het vakgebied is van oordeel dat deze christologie aanwezig was in de vroegste christelijke gemeenschap in Jeruzalem, onmiddellijk na de dood van Jezus.

Myllykoski verwijst naar overeenkomsten van eind eerste en begin tweede eeuw die refereren aan Psalm 2:7: "Ik zal het besluit van de HEERE bekendmaken: 'Hij heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U verwekt.'" Justinis herhaalt die woorden in de Dialoog met Trypho als gezegd door een stem uit de hemel bij de doop van Jezus. Ook in de Eerste brief van Clemens 36.4 staat: "Je bent mijn Zoon. Ik heb je vandaag verwekt". In het Evangelie van de Ebionieten komt bij de doop van Jezus ook een hemelse stem voor die zegt: "Je bent mijn geliefde Zoon. Ik heb je vandaag verwekt". Myllykoski verwijst ook naar de uitspraak in het docetische Evangelie van Petrus "Mijn kracht, mijn kracht, gij hebt mij verlaten" in plaats van het "Mijn God, mijn God, waarom Heeft U mij verlaten?" zoals het in de evangeliën van Matteüs en Marcus voorkomt.