Het woord geest in de toponymie is afkomstig van een Germaanse woord gaistō- 'hoog en droog land' en het bijvoeglijk naamwoord gaista- 'droog, onvruchtbaar' (zoals in de uitdrukking guste koe). Dit is weer afgeleid van Indogermaans *ĝhē , ĝhēi 'gapen, open staan', waardoor we kunnen uitgaan van een grondbetekenis 'door droogte scheuren krijgen'. Vanaf de vroege middeleeuwen werd het woord gebruikt voor hogere zandruggen in een natter gebied.

Geest bij Dörpling.

Verscheidene plaatsnamen zijn afleidingen van dit woord 'geest', zoals Geesteren,[1] Gestel,[2] Kasteel Endegeest, Luttelgeest (Noordoostpolder), Oegstgeest en Uitgeest[1].

Plaatsnamen met -geest komen sinds de 9e eeuw voor in Holland en Westfalen, vanaf de 12e eeuw ook elders in Noord-Duitsland, in Oost-Nederland en in de Zuidelijke Nederlanden. Een opvallende parallel is het Franse woord gast (uit het Latijn vastus) met de streeknaam Gâtinais, beide in de betekenis van 'woeste gronden'. Hieruit ontstond de Vlaamse term wastine.

In de Hollandse duinstreek is de naam vanaf de 12e of 13e eeuw overgegaan op hoger liggende akkercomplexen of geestgronden.[3] In Friesland, Groningen en Oost-Friesland komt daarnaast de Oud-Friese vorm -gast, -garst of -gaast voor, zoals in Grootegast en Gaast. Hiermee werden tevens - net als in Holland - de hoger liggend dorpsakkers aangeduid. Een Vlaamse vorm is Heist. Aan de rand van de Antwerpse polders en stroomopwaarts langs de Schelde en de Leie komt dit toponiem eveneens voor: De Geesten en Geestenspoor in Ekeren, Molengeest in Berendrecht, Oorderse Geest in Oorderen en elders.

Zie ookBewerken