Hoofdmenu openen

Wikipedia β

De woeste gronden van het Wekeromse zand

Woeste grond was eeuwenlang de benaming voor niet-gecultiveerde terreinen, die geen direct nut opleverden, zoals heide, veengebieden en moerassen. Ze waren tot aan het eind van de 19e eeuw (tot aan het gebruik van guano en de uitvinding van de kunstmest) wel degelijk van groot nut voor het landbouwsysteem. Woeste gronden leverden strooisel en plaggen die gemengd met dierlijke mest op het akkerland werd gebracht als grondverbeteraar en bemesting. Daarnaast stonden er bijenkasten, stak men er turf voor gebruik als brandstof en liet men er schapen en koeien weiden.

Het CBS rekende ook pas drooggevallen land tot de woeste gronden. Het ontginnen van woeste grond tot productiebos en landbouwgebied werd aan het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw als een belangrijk doel gezien dat door organisaties als Staatsbosbeheer en de Heidemij ter hand genomen werd. Tegenwoordig wordt het grootste deel van de overgebleven woeste grond als natuurgebied beschermd, het is in Nederland meestal in beheer bij Staatsbosbeheer of Natuurmonumenten.

Tot de 19e eeuw waren veel woeste gronden in gemeenschappelijk bezit, aangeduid met verschillende namen, zoals marke, meent(e), in Brabant en Limburg als gemeynt(e). Dit betrof namelijk gronden die in gemeenschappelijk gebruik waren voor de begrazing door schapen, het steken van turf en plaggen, het houden van bijen enzovoort. Met de Markewetten in de 19e eeuw werden deze grootschalig opgedeeld. Grote delen ervan werden aan grootgrondbezitters en beleggers verkocht, die ze omzetten in productiebos en landbouwgebied, soms ook werden ze door de gemeenten zelf ontgonnen, waardoor gemeentebossen ontstonden. Delen ervan met hoge natuurwaarden werden in de loop van de 20e eeuw door natuurbeschermingsorganisaties aangekocht.