West-Europese loofbossen

WNF-ecoregio
Locatie van de ecoregio van West-Europese loofbossen in Europa.
Beukenbos in de Harz, in de Duitse deelstaat Saksen-Anhalt.

West-Europese loofbossen zijn een ecoregio in het palearctisch gebied van West-Europa, onderdeel van het wereldwijde bioom van gematigd loofbos of gemengd bos. Van de oorspronkelijke bossen van West-Europa is slechts een klein deel over, omdat sinds de Middeleeuwen het meeste bos gekapt is om plaats te maken voor de landbouw. Gebieden waar nog grote loofbossen liggen zijn middelgebergtes. Loofbossen van deze ecoregio worden daarom vooral gevonden in de Belgische Ardennen, het Franse Centraal Massief, het Duitse Rijnleisteenmassief en Zwarte Woud, het plateauland van Beieren of het Boheems Massief in Tsjechië.

KlimaatBewerken

West-Europa heeft overwegend een gematigd koel zeeklimaat. Ongeveer ter hoogte van het westen van Duitsland gaat dit geleidelijk over in het vochtig continentaal klimaat van Centraal-Europa. De neerslag is redelijk gelijk verdeeld over het jaar, hoewel de zomer en lente iets natter zijn dan de herfst en winter. Het jaargemiddelde van de temperatuur ligt typisch rond de 7°C tot 9°C. Typisch zijn er drie of vier maanden per jaar met sneeuw.

In de kustgebieden van West-Europa gaat de ecoregio van de West-Europese loofbossen over in die van de Atlantische gemengde bossen. In het zuiden van Frankrijk gaat ze ter hoogte van het Middellandse Zeegebied over in de bioom van de Mediterrane bossen en struwelen. De bossen op de lagere hellingen in de Alpen en Karpaten worden tot andere ecoregio's gerekend: respectievelijk Alpiene naaldbossen en gemengde bossen en Karpatische montane bossen. In het oosten van Duitsland gaat de ecoregio van West-Europese loofbossen over in die van Centraal-Europees gemengd bos, die verder naar het oosten in Polen en Wit-Rusland doorloopt. In het noorden van Duitsland langs de rand van de Oostzee liggen Baltische gemengde bossen. De laatste lopen verder in het zuiden van Zweden, het oosten en noorden van Denemarken en in de Baltische Staten.

EcologieBewerken

Een typisch West-Europees loofbos heeft een structuur van vier lagen:

  • een hogere boomlaag tussen de 30-60 m hoogte, die uit de kruinen van de hogere bomen bestaat
  • een lagere boomlaag tussen de 8-30 m hoogte, die uit de kruinen van lagere bomen bestaat
  • een struiklaag tussen de 1,3 en 8 m hoogte, die uit houtige struiken bestaat
  • een kruidlaag vanaf de bodem tot 1,3 m hoogte, die uit lagere planten, kruiden en grassen bestaat. Typisch is dit de meest diverse laag.

Net als in andere Europese loofbossen zijn de karakteristieke bomen eiken (Quercus spp.), beuken (Fagus spp.), esdoorns (Acer spp.) en berken (Betula spp.). Naaldbomen als dennen (Pinus spp.), sparren (Picea spp.) en zilversparren (Abies spp.) vormen in sommige bossen een toevoeging; deze bossen worden tot de gemengde bossen gerekend. Het loofbos van Europa is minder rijk aan boomsoorten dan zijn tegenhanger in Noord-Amerika (bijvoorbeeld de ecoregio van de Mid-Atlantische kustbossen). Dit wordt gezien als een gevolg van de laatste ijstijd. Wegens het ontbreken van grote obstakels verschoven de vegetatiezones in Noord-Amerika naar het zuiden, terwijl in Europa de middel- en hooggebergtes een barrière tegen grootschalige migratie van soorten vormden. Op enkele refugia na konden de Europese soorten nergens heen en stierven uit.[1]