Tragedie van de meent

economische theorie over uitputting van een gedeelde bron vanwege eigenbelang

De tragedie van de meent[1] (vooral gekend onder de Engelstalige term tragedy of the commons) is de veronderstelling dat vrij bruikbare vernieuwbare hulpbronnen onvermijdelijk kapot gemaakt worden doordat het individuele belang het collectieve overtroeft. Het streven naar maximale opbrengst door individuen leidt hierbij niet tot collectieve welvaart, zoals de economische hypothese van de onzichtbare hand veronderstelt. De opbrengst van de gemeenschappelijke hulpbron komt ten goede aan het individu, terwijl de kosten als externaliteit gedragen worden door de gemeenschap. Daardoor ontstaan overexploitatie en onderbenutting.

Dit effect heeft grote implicaties voor onder andere milieubeheer.

Goederen kunnen worden onderverdeeld op basis van 2 criteria, exclusiviteit (moeilijk of makkelijk te bereiken) en concurrentievermogen (hoog of laag), waardoor 4 verschillende soorten goederen ontstaan. Het fenomeen van de tragedie van de meent doet zich alleen voor in het geval wanneer er moeilijk exclusiviteit te bereiken is en een hoog concurrentievermogen is, dit omdat het onmogelijk is mensen van deze goederen uit te sluiten en omdat ze rivaliserend zijn, wat betekent dat de consumptie van één persoon rechtstreeks van invloed is op de mogelijkheid van consumptie van anderen. Dit zijn de zogenaamde gemeenschappelijke hulpbronnen (common pool resources).[2]

Uitleg principe via een gedachte-experimentBewerken

Op een meent, een gemeenschappelijk stuk weidegrond, grazen melkkoeien, die toebehoren aan verschillende boeren. Elke boer wil zoveel mogelijk verdienen aan zijn melkvee. Als hij een koe toevoegt aan zijn kudde, heeft dat twee economische effecten:

  1. positief: de kudde van de boer geeft met een extra koe in totaal meer melk, waarvan de meeropbrengst volledig ten goede komt aan de eigenaar
  2. negatief: de koe eet gras van de meent, dus per koe komt minder gras beschikbaar. Minder grasconsumptie betekent minder melk en dus minder opbrengst. Dit nadeel wordt echter verdeeld over alle koeien en daarmee over alle veehouders

Eén boer ontvangt dus de volledige opbrengst van een nieuwe koe, terwijl de kosten worden gedeeld. Het is voor een boer dus lucratief om een nieuwe koe toe te voegen zolang zijn deel van de kosten lager is dan de opbrengst. Omdat de totale opbrengst slechts groter hoeft te zijn dan een gedeelte van de kosten, komt er een moment dat er een koe wordt toegevoegd die de overige boeren meer kost dan zij de eigenaar oplevert. Omdat alle boeren op dezelfde wijze redeneren zullen zij net zoveel koeien toevoegen, totdat toevoeging van nog een koe zelfs geen voordeel meer oplevert voor de eigenaar. Overbegrazing is het gevolg.

Er bestaat een maximaal totaal aantal koeien voor de meent: dat aantal waarbij de opbrengst van nog een extra koe niet meer oplevert dan het de overige boeren kost. In die situatie zou toevoegen van een extra koe ertoe leiden dat alle andere eigenaren erop achteruitgaan. In economische termen: de welvaartsverdeling is Pareto-efficiënt. Dit is echter niet de einduitkomst van de hierboven beschreven situatie. Boeren zullen kiezen voor verdere uitbreiding van hun veestapel; immers, als boer A niet voor uitbreiding kiest, en boer B doet dat wel, gaat boer A minder verdienen omdat hij opdraait voor een deel van de kosten van de uitbreiding door B, terwijl daar voor hem geen extra inkomsten tegenover staan. Op die manier is de tragedie van de meent te zien als een collectief prisoner's dilemma.

Dit voorbeeld werd oorspronkelijk beschreven in 1833 door de amateurwiskundige William Forster Lloyd (1794-1852) onder de titel 'Two Lectures on the Checks to Population'. De term 'tragedie van de meent' (Engels: 'tragedy of the commons') is ontleend aan het mede op deze verhandeling gebaseerde artikel van de Californische bioloog Garrett Hardin, waarin hij het hierboven beschreven voorbeeld behandelt.[3] In deze beschouwing waarschuwt Hardin voor de overbevolking van de wereld en pleit hij voor het afschaffen van de 'vrijheid van voortplanting', met als argument dat een beroep op het geweten van aspirant-ouders niet afdoende zal zijn.

OplossingenBewerken

Er zijn een aantal manieren waarop deze tragedie kan worden aangepakt. Hardin, de ecoloog die in 1968 als eerste dit verschijnsel beknopt beschreef, verklaarde dat de enige manier om dit te voorkomen, is de bronnen exclusief maken of ze onder controle van een bestuursorgaan plaatsen. In beide gevallen wijst dit op een "eigenaar" van deze bron die de bron beter zal beheren dan het publiek dat zou doen.[3] In veel gevallen zou de eigenaar een overheidsinstantie zijn.

Het opleggen van exclusiviteit zou betekenen dat de gemeenschappelijke bronnen privé-goederen worden, waardoor mensen een bepaalde prijs betalen voor een bepaalde hoeveelheid toegang tot de bron. Dit zou vergelijkbaar zijn met mensen die entree betalen voor beperkte toegang tot een openbaar zwembad.

De eigenaren van de bron daarentegen zouden de mogelijkheid hebben om bepaalde regels op te leggen en toezicht te houden op het gebruik dat mensen volgens deze regels maken. Zowel openbare als particuliere autoriteiten zouden dan diegenen kunnen straffen die zich niet aan deze regels houden of op een of andere manier te veel verbruiken.

KritiekBewerken

Volgens het originele werk over de 'tragedie van de meent' zijn alle meenten gedoemd om te mislukken, wat door economen nogal eens gebruikt wordt als een verdediging voor particulier grondeigendom. Een probleem hierbij is dat Hardins gedachte-experiment, zoals de filosoof Hans Achterhuis schrijft, "bitter weinig met de historische werkelijkheid te maken heeft" en de sterke aanname bevat dat elke veehouder als homo economicus probeert zijn eigen opbrengst te vermeerderen ten koste van de gemeenschap. Individualisme en winststreven zijn dus noodzakelijke uitgangspunten van het gedachte-experiment.[4]

Uit de economische en sociale geschiedenis zijn diverse historische maatschappijen bekend die eeuwenlang succesvol hun gemeenschappelijke gronden hebben beheerd; tot op heden komen succesvolle meenten in gebieden voor als de Zwitserse Alpen zonder dat hier overbegrazing of uitputting optreedt. In West-Europa kwam op de meeste plekken een einde aan het gemeenschappelijke grondgebruik door het van staatswege invoeren van particulier verhandelbaar grondeigendom; het bekendste voorbeeld hiervan was het proces van omheiningen in Engeland.

De oplossing voor het probleem dat Hardin beschreef moet volgens de Amerikaanse politicologe Elinor Ostrom gezocht worden in effectieve vormen van collectief beheer, telkens afgestemd op de lokale situatie. Voor haar werk, ingegeven door moderne milieuproblematiek, won Ostrom in 2009 de Nobelprijs economie.

Zij stelde 8 principes op die het voor gemeenschappen en lokale autoriteiten mogelijk moeten maken om gemeenschappelijke hulpbronnen met succes te beheren zonder dat daarvoor privatisering nodig is. Deze "bottom up"-benadering van vraagstukken impliceert dat overheidsinterventie niet effectief kan zijn tenzij zij wordt gesteund door individuen en gemeenschappen. Met andere woorden: beleid zonder algemene steun van het publiek zal ondoeltreffend zijn. Deze 8 beginselen moeten de overheidsinstanties helpen om deze steun te creëren of te behouden.

Vele meenten werden lange tijd in eigenregie met succes beheerd. Het collectief gehandhaafde evenwicht tussen individueel en gemeenschappelijk belang kan echter door externe ontwikkelingen zoals nieuwe exploitatiemogelijkheden en verschuivingen in de machtsverdeling verstoord worden.

Moderne voorbeeldenBewerken

Moderne voorbeelden van een tragedie van de meent zijn het leegvissen van zeeën en luchtvervuiling als gevolg van autoverkeer. De oorzaak ervan is steeds dat wanneer individuen gebruikmaken van een publiek goed, zij niet de volledige rekening voor hun handelen gepresenteerd krijgen. Dit is een voorbeeld van een negatieve externaliteit.

Een manier om dit resultaat te voorkomen is het gebruik van beheersinstrumenten. In het hierboven genoemde voorbeeld zou de overheid bijvoorbeeld met een vergunningenstelsel of door middel van fiscale maatregelen het aantal koeien per veehouder kunnen beperken. Ook zou elke veehouder een eigen deel van het land in eigendom kunnen worden overgedragen; hij zal wel optimaal gebruik van zijn stuk land maken als hijzelf als enige geconfronteerd wordt met de negatieve gevolgen van uitbreiding van zijn veestapel.

Tragedie van de digitale meentBewerken

Ook in de digitale wereld bestaat het gevaar van de tragedie van de meent. De ongepaste opening en uitbreiding van de digitale omgeving kan leiden tot een zogenaamd tragedie van de digitale meent. Door de digitale omgeving te beschouwen als een open en voor iedereen bereikbaar goed, kunnen we het probleem interpreteren als een tragedie van de digitale meent. Ten eerste is er de gebruiker van de digitale omgeving die geneigd is buitensporig gebruik te maken van het goed zonder aandacht te schenken aan de mogelijke gevolgen van zijn gedrag. Internetgebruikers worden niet in verhouding belast in verhouding van hun gebruik. Vaak denken ze dat hun individuele acties weinig invloed hebben op de algemene prestaties van het network. Omdat ieder individu zo kan redeneren kunnen de prestaties van het hele internet aanzienlijk verslechteren, waardoor iedereen slechter af is. Ten tweede is er het probleem van de vervuiling die zich ook in deze digitale omgeving voordoet. Het betreft een overmaat aan informatie die vaak overbodig is. Een voorbeeld hiervan is spam, er wordt geschat dat ongeveer 45 procent van het e-mailverkeer spam is. Dit is meer dan alleen overlast, er wordt ook productiviteitsverlies door geleden. Deze tragedie van de digitale meent is niet minder verontrustend en urgent dan degene die zich voordoen in de biosfeer.[5]

Zie ookBewerken

Externe linksBewerken

NotenBewerken

  1. Een meent of mient is een onverdeeld gemeenschappelijk bezit zoals dat in het verleden vanaf de 12e eeuw voorkwam, met name in de vorm van gemene gronden. Zie het artikel meent.
  2. (en) Hess, Charlotte, Elinor Ostrom (Winter-Spring). Ideas, Artifacts, and Facilities: Information as a Common-Pool Resource. Law and Contemporary Problems 2003
  3. a b 'Tragedy of the Commons', Science, 162(3859):1243-1248 (13 december 1968)
  4. Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt. Lemniscaat (2010), pp. 123-130.
  5. (en) Greco, Gian Maria, Luciano Floridi (November). The Tragedy of the Digital Commons. Ethics and Information Technology 2003