Laat (feodalisme)

Een laat (Middelnederlands laet) was in de vroege middeleeuwen een gedeeltelijk onvrije boer, die zichzelf min of meer vrijwillig onvrij gemaakt had om in het levensonderhoud te kunnen voorzien door de opbrengst van landbewerking op een hem door de landheer in gebruik gegeven stuk grond.

Het verbinden van rechten en verplichtingen aan de uitgave van grond in bruikleen, maakte deel uit van het middeleeuwse feodale stelsel. De laat was in het feodale stelsel de laagste vorm van belening.

Zie Feodalisme voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Hand- en spandienstenBewerken

Evenals horigen was de laat aan de grond, en niet aan de heer gebonden, hij had de plicht op zich genomen de grond te bewerken en moest een deel van de oogst afstaan. Ook moest hij (een bepaald aantal dagen per jaar) de nodige hand- en spandiensten voor de heer verrichten, corvée, als het aanleggen van een weg (handdienst) of de landbewerking met dieren (spandienst). Ook het meegaan op een militaire veldtocht kon tot de afgesproken diensten horen. In de zaai- en oogsttijd werd vaak ook verwacht dat er op het land van de heer werd meegewerkt.[1]

De laat mocht bezit hebben en had daarnaast enkele persoonlijke en zakelijke rechten: volgrecht, huwelijksrecht, het recht wapens te dragen, maar bij zijn dood keerde de laat-leen terug naar de oorspronkelijke eigenaar (mainmorte, of dode hand), die in de meeste gevallen het contract met een zoon van de overledene vernieuwde. De laten werden in de 13de eeuw volledig vrij.

LaathoeveBewerken

Een laathoeve of cijnshoeve was een hoeve waar recht gesproken werd in geschillen tussen de laat en de heer, en de plek waar de laat een deel van zijn oogst moest afstaan. De laathoeve was eigendom van de heer, maar er kon een laat als zetboer in werkzaam zijn. De laathoeve kon bestaan uit een centraal gebouw, grond die door de heer of pachter werd gebruikt, grond die door cijnsplichtige laten werd bewerkt en waar hun huizen op stonden, en een soort rechtbank of laatbank. De aan de laathoeve toebehorende grond werd het laatgoed genoemd.

Het woord laat komt voor in familienamen als De Laat en De Laet. De familienaam Van Latesteijn komt van Latesteyn, waarin de woorden laat en steen voorkomen. Latesteyn was een middeleeuws kasteeltje bij Tiel dat later degradeerde tot eenvoudige boerderij. Straatnamen en een woonwijk in Tiel verwijzen naar dit landgoed. Ook komt het voor in de oudste Nederlandse zin:

Maltho thi afrio lito
Ik meld je: ik bevrijd je, laat

Deze formule werd uitgesproken bij het vrij verklaren van een laat.