Hoofdmenu openen

Katanga is een voormalige kolonie van België in Centraal-Afrika. Van 1890 tot 1910 vormde het een aparte kolonie, los van de Kongo-Vrijstaat, om daarna op te gaan in Belgisch-Congo. Nu is het een deel van Congo-Kinshasa.

Toen koning Leopold II van België Congo in handen kreeg, wist hij ook het gebied Katanga in zijn bezit te krijgen. Op 15 april 1891 werd het bestuur van het gebied toevertrouwd aan de Compagnie du Katanga, een andere ‘vereniging’ van Leopold, en dus niet aan de Kongo-Vrijstaat, Leopolds privé-bezit ten noorden van Katanga. De Katanga-kolonie was dus een apart gebied, los van de Vrijstaat.

Katanga stond bekend om zijn zeer rijke mijnen, waaruit koper, kobalt, ijzer, radium, uranium en diamant gewonnen werd. Daarin zette men leden van de plaatselijke Luba-bevolking of gastarbeiders uit buurland Zambia aan het werk, dikwijls in mensonwaardige omstandigheden. Dit leidde niet zelden tot verzet van de bevolking. Een zeer grote Luba-opstand vond plaats in 1895. Een andere, geleid door Kasongo Niembo, kon pas neergeslagen worden door de Belgen in 1917.

Toen de Belgische staat in 1910 de hele Kongo-Vrijstaat overnam, werd Katanga integraal een deel van Belgisch-Congo. Toch behield het tot in 1933 een zekere vorm van autonomie.

Eens onder Belgische controle werden de mijnen van Katanga nog veel zwaarder geëxploiteerd. Zo ontwikkelde deze provincie veel verder dan de rest van het land. Het Belgische bedrijf dat de mijn uitbaatte (de Union Minière du Haut-Katanga) had huurlingen en bewakers in dienst die de plaatselijke bevolking moesten bedwingen en het transport van mijnproducten naar de rest van het land veilig te laten verlopen. Ook hiertegen kwamen de Luba in opstand, dikwijls met de dood tot gevolg.

Na de Congolese onafhankelijkheid in 1960 werd Katanga een autonome provincie van het land. In juni 2015 werd Katanga opgedeeld in vier verschillende provincies, Tanganyika, Haut-Lomami, Lualaba en Haut-Katanga.