Hoofdmenu openen

Henri De Graer

Belgisch kunstschilder

Henri De Graer (Klerken 30 april 1856 - Brugge, 28 mei 1915) was een Vlaamse kunstschilder. Hij was getrouwd met Sylvie Du Breu.

Zelfportret Henri De Graer

Hij studeerde van 1880 tot 1884 aan de Koninklijke Akademie voor Schone Kunsten te Antwerpen, bij P. Beaufoux, J.E. Van Den Bussche en Karel Verlat. In 1883 werd hij toegelaten tot de voorbereidende wedstrijd van de Prix de Rome voor schilderkunst maar bereikte verder geen gunstig resultaat. De Graer schilderde vooral portretten, waarvan het bekendste dat van Guido Gezelle is. Dit is tegenwoordig te bezichtigen in het Guido Gezellemuseum te Brugge. De portretten in het Provinciaal Hof te Brugge van Graaf Felix de Mûelenaere, Baron Adolphe de Vrière en Benoît Vrambout, de drie eerste gouverneurs van West-Vlaanderen sinds de Belgische Onafhankelijkheid, zijn van zijn hand.

Het schilderij "De Pest" (1900), op de hoek van de St. Jorisstraat, is eveneens zijn werk. Enkele controverses hieromtrent kregen in de plaatselijke pers een ruime aandacht en hangen zowel een beeld op van de muggezifterij uit die tijd als van het strijdlustig karakter van de kunstenaar. Brugge werd voor het laatst door de Pest geteisterd in 1666. Er hing toen al een schilderij met de patronen tegen de Pest. Sedert 1666 ontstond de volksbenaming "Pesteschilderie". En alhoewel die naam tot op heden is bewaard gebleven, veranderde er heel wat aan de oorspronkelijke voorstelling. Er moet aanvaard worden dat aan het oude schilderij herstellingen noodzakelijk waren tussen de jaren 1529, 1666 en 1800. In 1811 besloot de buurtschap het Pestschilderij te herstellen en een godvruchtig genootschap op te richten onder de titel "Broederschap der HH. Pestpatronen." In 1866 besloot het genootschap de 200ste verjaardag te vieren van de verdwijning van de pest. Ook het schilderij werd bij die gelegenheid vernieuwd. Het oude schilderij werd door het Broederschap uiteindelijk vervangen door een tafereel gebrandschilderd op tegels van Keulense aarde. Het samenstellen ervan geschiedde door H. De Graer, en de uitvoering werd toevertrouwd aan het huis Helman te Brussel. De samenstelling en de keuze van de pestpatronen werd toen in de Brugse bladen zwaar bekritikeerd, vooral vanwege de traditionalisten kanunnik Adolf Duclos en Rembry. Drie patronen werden immers willekeurig uitgeschakeld : Johannes de Doper, Macarius en Johannes Nepomucenus. In hun plaats werden Adolf van Osnabrück, Bruno de Karthuizer en Antonius van Sorrente afgebeeld, heiligen die toen te Brugge onbekend waren. De Graer beriep zich op het gezag van de Duitser Detzel, een specialist in de iconografie.

In 1905 worden we geconfronteerd met de handelsgeest van H. De Graer : hij besluit allerhande kruiswegen te schilderen en te verkopen. Voor een deel van dit opzet treedt hij in onderhandeling met de kinderen van de toen overleden kunstschilder Frans Vinck. Het tweede luik van dit groots opgezet projekt, kondigt H. De Graer als volgt aan : "Voor het maken van mijn Kruisweg, 14 staties. Ik bezocht de plaatsen waar het lijden van Christus zich afspeelde. Ik zocht er de lokale kleur voor mijn schilderijen en bestudeerde er de lokale types. Als achtergrond heb ik de heuvels, straten en huizen van Jeruzalem genomen zeals ze thans zijn. Naast een noodzakelijke studie van het Lijdensverhaal heb ik onderzoek verricht naar de gebruiken, instellingen en kledij van de mensen uit Jeruzalem uit de tijd van Christus." Dit resulteert dan in een indrukwekkende kataloog waarvan de Engelse voorpagina luidt "H. De Graer, Bruges, Belgium - Pictures of Christian Art". Een deel van deze werken werd tentoongesteld op de Wereldtentoonstelling van 1910 te Brussel, maar zijn verloren gegaan in een brand van 14 en 15 augustus die vele paviljoenen vernielde.