Heer (feodalisme)

feodale titel voor de heerser van een heerlijkheid

De heer of vrijheer, soms ook wel vrouwe of vrijvrouwe, was in de middeleeuwen de heerser over een bepaald grondgebied dat hij in bruikleen had gekregen op basis van het plaatselijk geldend feodaal leenstelsel. Daarbij werden tussen beide partijen juridisch bindende afspraken gemaakt die werden vastgelegd in een leenovereenkomst. Degeen die grond in leen uitgaf kon de eigenaar van de grond zijn, meestal een vorst of kerkelijke autoriteit, of de grond zelf in leen hebben gekregen en in kleinere stukken onderverlenen. Degeen die grond in bruikleen kreeg werd in de verhouding tot de uitlener vazal genoemd, maar in zijn verhouding tot de bevolking heer. Degene die grond in bruikleen hadden gekregen droegen vaak een titel als graaf of hertog.

Bij de grondgebieden ging het aanvankelijk om uitgestrekte gebieden zo groot als een huidige provincie of staat. Door de loop der eeuwen werden de gebieden versnipperd. Bij de bruikleenafspraken ging het er oorspronkelijk meestal om dat de heer het gebied mocht uitbaten en een deel van de opbrengst mocht houden, in ruil voor miliaire dienstverlening aan de grootgrondbezitter. Later mocht er ook vaak bestuur worden gevoerd over de bewoners van het grondgebied en recht worden gesproken. Het gebied waarom het ging noemde men in de Lage Landen vaak heerlijkheid, grotere gebieden een graafschap of hertogdom.

LeentrappenBewerken

Het feodale stelsel kende vaak meerdere leentrappen, waarbij een heer zijn in leen gekregen grondgebied weer onderverdeelde en de kleinere stukken in bruikleen aan anderen gaf. Een heer was dan zowel leenman of vazal, in de verhouding tot de heer die hem de grond in bruikleen had gegeven, als heer in de verhouding tot degeeen aan wie hij een stuk grond had doorgeleend. In het geval dat de eigenaar van de grond, bijvoorbeeld een keizer, direct boven de heer stond en deze dus geen hiërarchische binding had met een "tussenliggende heerschappij", spreken we van een baanderheer of bannerheer of ook wel van een "rijksonmiddellijke heerlijkheid". Dit waren in de regio vaak zeer machtige personen die zich met succes konden verzetten tegen de invloed van een hertog of graaf van het omringende gebied en zo hun onafhankelijkheid wisten te bewaren.

MiddeleeuwenBewerken

De oudste heerlijkheden zijn voortgekomen uit een allodium, ofwel grond in eigendom, waarover de eigenaar absolute macht had en daarom met een vazal alle mogelijke rechten en verplichtingen kon overeenkomen. Bij de bruikleenafspraken ging het er oorspronkelijk meestal om dat de grondeigenaar van zijn vazal verlangde dat hij hem militaire diensten verleende als ridder, meestal met een klein eigen grondleger en om dat te bekostigen de grond mocht exploiteren en een deel van de opbrengst mocht houden. Een deel van de opbrengst ging aan de eigenaar. Later werden er allerlei rechten verleend, dit geschiedde vooral in tijden dat de leenheer, bijvoorbeeld door langdurige oorlogsvoering, in geldnood zat. Aldus zijn tot in de 16e eeuw toe nog heerlijkheden ontstaan.

Iemand die vazal was en een stuk grond wilde doorlenen aan een volgende, kon alleen maar rechten doorlenen die hij zelf had gekregen, niet meer. De verplichtingen kon hij vrij afspreken, maar die moesten in verhouding staan tot de rechten, anders nam niemand de overeenkomst aan. Later ontwikkelde het feodale stelsel zich zodanig dat er meerdere lagen ontstonden, waarbij de regels in iedere laag anders konden zijn, steeds afhankelijk van de afspraken tussen de leenheer en vazal in de betreffende laag. Een leenman die onderaan de ladder stond, was ondergeschikt aan meerdere hogere bestuurslagen.

RechtenBewerken

De heer kon allerlei heerlijke rechten hebben gekregen, er was geen vast systeem, in de late middeleeuwen in de Lage Landen was het vaak als volgt:

Als het een dorp of stad ging, had de heer vaak onder zich een schepenbank ingericht, die de rechtspraak uitoefende en deel uitmaakte van het dorps- of stadsbestuur.

Tal van andere rechten konden tot de heerlijke rechten behoren, zoals: benoemingsrecht, tiendrecht, cijnsrecht (belastinginning), tolrecht, banrecht, windrecht, molenrecht, recht van zwanendrift, recht van duivenvlucht, recht van eendenkooi, jachtrecht en visrecht.

ZelfstandigheidBewerken

Een van de weinig volledig zelfstandig gebleven heren was die van Ravenstein. Een andere ontwikkeling kende de zelfstandig gebleven heerlijkheid Mechelen, waar uiteindelijk door overerving de keizer zelf ook heer van Mechelen werd. Iets soortgelijks gebeurde nadat de bisschop van Utrecht zijn wereldlijke heerschappij had overgedragen aan Karel V. Utrecht, Groningen en Overijssel werden ook heerlijkheden met de keizer zelf als heer. Deze "hoge" heerlijkheden gingen bij de afzwering van de Spaanse koning over op de Staten-Generaal van de Verenigde Provinciën.

Vroegmoderne tijdBewerken

Na de afschaffing van het ancien régime, dit is bij de annexatie van de Oostenrijkse Nederlanden door de Franse Republiek en de instelling van de Bataafse Republiek in 1795, werden alle heerlijke rechten opgeheven. Gedeeltelijk werden die bij de Restauratie onder koning Willem I weer hersteld, zoals het jachtrecht en het visrecht. Het overheidsgezag (het recht om functionarissen te benoemen) verloor de heer definitief in 1830 bij de invoering van de Belgische Grondwet of in 1848 bij de invoering van de Nederlandse Gemeentewet. In 1923 werd het heerlijk jachtrecht afgeschaft, in 2017 is het recht van zwanendrift opgeheven.[1] Tot op heden voeren velen nog een herentitel, die gebaseerd kan zijn op de laatste resterende heerlijke rechten, zoals het heerlijk visrecht, veerrecht, plant- en pootrechten. Deze titel wordt in het dagelijks verkeer niet gebruikt, maar wordt vermeld in overlijdensadvertenties en in genealogische naslagwerken zoals Nederland's Patriciaat en Nederland's Adelsboek. Indien er geen rechten meer aan de titel zijn verbonden, spreken sommige publicaties van titulair heer, deze uitdrukking heeft echter geen algemene navolging gehad.[2]

Zie ookBewerken