Gouden Bul (1349)

De Gouden Bul van 27 februari 1349 was een oorkonde waarin keizer Karel IV toestond aan hertog Jan III van Brabant dat zijn onderdanen uit Brabant, Lotharingen, Limburg en Antwerpen in wereldse aangelegenheden enkel voor Brabantse rechters mochten worden gedaagd. De enige uitzondering op dit jus de non evocando was bij rechtsweigering in Brabant.

HistoriekBewerken

De bul, uitgevaardigd op 27 februari in Herk-de-Stad en opnieuw op 25 juli in Aken,[1] ontleende haar naam aan het gouden zegel dat Karel IV eraan hechtte, wat hij ook deed met de bekendere Gouden Bul van 1356. De Latijnse oorkonde zelf is bewaard maar het zegel is verloren gegaan.

Met het privilege kwam de keizer tegemoet aan het Brabantse ongenoegen ten aanzien van het Tribunal de la Paix, waarmee de Luikenaars van oudsher een zekere jurisdictie konden doen gelden in Brabant. De gevolgen waren echter heel wat verstrekkender en werden buiten Brabant nog eeuwenlang gecontesteerd, waarbij men voorhield dat Brabanders de immuniteit enkel konden inroepen voor geschillen over persoonlijke rechten. Omgekeerd interpreteerde de Raad van Brabant de Gouden Bul zo ruim mogelijk, niet louter als verweermiddel.

De bepalingen van de oorkonde werden overgenomen in de Blijde Inkomst van 1356. Rooms-koning Sigismund, die jarenlang de Brabantse hertogtitel opeiste, bevestigde haar in 1424. Door keizer Maximiliaan I werd de Gouden Bul op 5 maart 1512 bekrachtigd en uitgebreid: de bevoegdheid van de rijksgerechten werd volledig uitgeschakeld, zodat de Grote Raad van Mechelen ten aanzien van Brabanders uitspraak deed in laatste aanleg. Keizer Karel V hernam de Gouden Bul op 1 juli 1530 en versterkte ze eveneens. Hij machtigde de kanselier en de rechtbanken van Brabant om bij schending de rijksban uit te spreken.[2]

Zie ookBewerken

ArchiefBewerken

LiteratuurBewerken

  • E. de Borchgrave, "La bulle d'or de Brabant (1349), avec trois annexes", in: Messager des sciences historiques ou archives des arts et de la bibliographie de Belgique, 1875, p. 79-96
  • P.L. Nève, Het Rijkskamergerecht en de Nederlanden. Competentie, territoir, archieven, 1972, p. 105-113 (pdf)

VoetnotenBewerken

  1. Uitgegeven in Johann Friedrich Böhmer, Acta imperii selecta. Urkunden deutscher Könige und Kaiser mit einem Anhange von Reichssachen, 1870, p. 568-570, nr. 846
  2. Uitgegeven in Lothar Gross e.a., Urkunden und Aktenstücke des Reichsarchivs Wien zur reichsrechtlichen Stellung des burgundischen Kreises, vol. 1, 1944, p. 97-105, nr. 195