George Gershwin

Amerikaans componist (1898-1937)

George Gershwin, geboren als Jacob Gershowitz (Brooklyn, New York, 26 september 1898Hollywood, 11 juli 1937) was een Amerikaans componist, pianist, dirigent en kunstschilder. Hij wordt algemeen beschouwd als een van de allergrootste Amerikaanse componisten. Gershwin is de componist die er beter dan wie ook in slaagde een synthese tot stand te brengen van de vroeg 20e-eeuwse klassieke muziek, de Amerikaanse volksmuziek, blues, spiritual, jazz en de vroeg 20e-eeuwse amusementsmuziek.[1]

George Gershwin
George Gershwin
Algemene informatie
Land Verenigde Staten van Amerika
Naam bij geboorte Jacob Bruskin Gershowitz
Geboortedatum 26 september 1898
Geboorteplaats Brooklyn
Overlijdensdatum 11 juli 1937
Overlijdensplaats Hollywood
Begraafplaats Westchester Hills Cemetery
Werk
Beroep componist, pianist, liedschrijver, jazzmuzikant, filmcomponist, kunstschilder, dirigent
Bekende werken The Man I Love, Rhapsody in Blue, Porgy and Bess, An American in Paris
Actieve periode 1914 - 1937
Kunst
Muziekinstrument piano
Genre opera, jazz, klassieke muziek
Platenlabel Victor Talking Machine Company
Familie
Broers en zussen Ira Gershwin
Arthur Gershwin
Francis Gershwin
Persoonlijk
Etniciteit Russische Joden
Diversen
Prijzen en onderscheidingen Grammy Trustees Award, Congressional Gold Medal, ster op de Hollywood Walk of Fame, Pulitzerprijs
Website http://www.gershwin.com
graf
graf
handtekening
De informatie in deze infobox is geheel of gedeeltelijk afkomstig van Wikidata.
Informatie van Wikidata kunt u hier bewerken.
Portaal  Portaalicoon   muziek

De vader van Gershwin, Morris, heette eigenlijk Gershovitz en was een Joods-Russische immigrant uit Sint-Petersburg die in 1890 naar New York emigreerde om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Al op heel jonge leeftijd werkte Gershwin als plugger in New York. In die tijd kreeg hij les van Charles Hambitzer en Edward Kilenyi, later nog muziektheorie, instrumentatieles, orkestdirectie, harmonie en contrapunt en muziekgeschiedenis van o.a. Joseph Schillinger, Henry Cowell en Wallingford Riegger.[2]

Gershwin’s werken omvatten o.a. de Rhapsody in Blue (1924) voor piano en jazzband, Concerto in F (1925), An American in Paris (1928), Second Rhapsody (1931) en Porgy and Bess (1935). De Rhapsody in Blue, Gershwin's bekendste stuk en een afspiegeling van de roaring twenties met zijn vele jazzbands, is een mix van jazzmelodieën, dansritmes, blues en symfonische elementen.[3] Gershwin's werk is, naast de Amerikaanse volksmuziek en de jazz, beïnvloed door de Franse impressionisten en de Groupe des Six.[4] Zijn opera Porgy and Bess uit 1935, met beroemde liederen en jazzstandards als Summertime, Bess You Is My Woman Now, It Ain’t Necessarily So en I Got Plenty O’ Nuttin, wordt algemeen beschouwd als zijn meesterwerk en een mijlpaal in zijn ontwikkeling.[5]

Hij is door zijn onmiskenbare stijl een bron van inspiratie geweest voor componisten als Stravinsky, Ravel en Honegger en een hele generatie jonge Amerikaanse componisten.[6] Gershwin overleed op 38-jarige leeftijd aan de gevolgen van een hersentumor.

LevensloopBewerken

JeugdBewerken

De vader van Gershwin, Morris, heette eigenlijk Gershovitz en was een Russische immigrant uit Sint-Petersburg die in 1890 naar New York emigreerde om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Toen vader Gershwin - rond 1894 veranderde hij zijn achternaam in Gershvin en George op zijn beurt in 1920 in Gershwin - een piano aanschafte voor Ira, was het George die niet achter het instrument was weg te slaan.

Afgezien van de piano was het enige contact dat Gershwin met muziek had de liedjes op straat en de platte theaterdeuntjes. Contact met een ‘ander’ soort muziek, de Humoreske van Antonín Dvořák, kreeg hij van zijn vriendje Max Rosenzweig (Max Rosen). Op 12-jarige leeftijd kreeg Gershwin pianoles van de operettecomponist Charles Hambitzer. Tussen 1919 en 1921 gevolgd door harmonie- en compositielessen van de Hongaarse violist en dirigent Edward Kilenyi. Op de piano maakte Gershwin heel snel enorme vorderingen.

1914-1916: Tin Pan AlleyBewerken

Door zijn vorderingen op piano kon hij op 15-jarige leeftijd al een betrekking aannemen als ‘song plugger’ bij uitgeverij Remick & Co in New York, gespecialiseerd in amusementsmuziek. Tot zijn taak behoorde: het selecteren van binnenkomende ‘muzikale post’ zoals aanvragen van componisten en/of tekstdichters om muziek uit te geven en het op piano begeleiden – uiteraard à vue - van zangers en zangeressen die dergelijke nieuwe composities wilden doornemen of voorzingen. In deze functie ontwikkelde Gershwin zijn vaardigheid om te improviseren. Remick en nog andere muziekuitgeverijen waren gevestigd in de 28e straat, die - door al die herrie van verschillende songs - wel eens gekscherend Tin Pan Alley werd geneoemd. Het was het hoofdkwartier van de Amerikaanse muziekindustrie en in deze buurt leerde Gershwin het vak ‘amusementscomponist’ grondig kennen. In 1916 - op 17-jarige leeftijd - gaf hij zijn eerste song uit, When You Want ‘Em, You Can’t Get ‘Em, When You Got ‘Em, You Don’t Want ‘Em op tekst van Murray Roth. In Tin Pan Alley maakt Gershwin kennis met ‘collegae’ componisten als Irving Berlin, Jerome Kern en Sigmund Romberg.

1916-1923: BroadwayBewerken

In 1918 schreef Gershwin zijn eerste ‘klapper’: Swanee, wat een hit werd door ‘blackface’ artiest Al Jolson. In 1919 schreef Gershwin – als opdracht van Kilenyi - een strijkkwartet, met als titel Lullaby. Het was zijn eerste stap op het serieuze vlak. Hij was inmiddels in dienst van uitgeverij Harms als bezoldigd componist en de eerste operette waar hij enkele songs voor schreef was La, La, Lucille (1919). Vanaf toen tot en met Let 'Em Eat Cake uit 1933 was er in de Amerikaanse theaters altijd minstens één revue, show of musical van Gershwin in productie. Van 1921 tot en met 1924 schreef Gershwin de muziek voor de beroemde jaarlijkse revue “Scandals”, die in New York door George White werden gemonteerd. Een hoogtepunt daarin is de '"Scandals of 1922" waarin de eenakter Blue Monday zat, een opera in een bedrijf van Gershwin, gezongen door louter zwarte artiesten. Een voorbode van Porgy and Bess.

 
Tin Pan Alley in de tijd dat Gershwin werkte bij Remick and Co

Op 1 november 1923 voerde de Frans-Canadese concertzangeres Eva Gauthier enkele songs uit van Gershwin op een liederenrecital in de Aeolian Hall te New York. Zijn eenvoudig klinkende, maar boeiende liedjes hielden stand naast klassieke aria’s van Bartók, Hindemith, Milhaud en Schönberg.[7]

De weg naar serieuze muziekBewerken

De bekende Amerikaanse bandleider Paul Whiteman, die 'Scandals 1922' had gedirigeerd zocht naar een manier om de opkomende (nieuwe) muziek, jazz, in de concertzaal te introduceren. Hij wordt door zijn pogingen de vader van de zogenaamde Symfonische Jazz genoemd. Een naam die, op de keper beschouwd, verkeerd gekozen is want jazz is geïmproviseerde muziek en in symfonische muziek is alles vastgelegd, daar is geen ruimte voor improvisatie.

Whiteman inspireerde in ieder geval Gershwin in 1923 tot het schrijven van de fameuze Rhapsody In Blue, een symfonisch werk voor piano en symfonische big-band. Het werk moest door Ferde Grofé worden georkestreerd omdat hij de vaste arrangeur was van het Whiteman Orkest en daardoor precies wist wat de individuele capaciteiten van de orkestleden waren. Elk orkest had in die tijd zijn eigen vaste arrangeur. In 1942 heeft Grofé ook een orkestratie voor symfonieorkest geschreven, en het is die versie die enorm populair geworden is in de concertzaal. Het werk opende voor Gershwin de deuren van de serieuze concertzalen en het maakte hem wereldberoemd.

Reeds een jaar later nodigde Walter Damrosch Gershwin uit voor het schrijven van een pianoconcert. Dit werk, het beroemde Concerto in F, werd in 1925 in de Carnegie Hall ten doop gehouden. Solist in de virtuoze solopartij was Gershwin zelf.[1] Omdat Gershwin zo veel verplichtingen op Broadway had, verhinderde dat hem zich intensief bezig te houden met het schrijven van serieuze composities. Hij kon zich pas volledig concentreren op zijn opera Porgy and Bess nadat hij allerlei andere activiteiten had afgezegd. Van de Rhapsody in Blue zijn wereldwijd zo’n duizend verschillende uitvoeringen en vertolkingen te koop, een enorm aantal voor een compositie uit de 20ste eeuw.

 
7 maart 1928: achter de piano Maurice Ravel, naast hem zit Eva Gauthier en helemaal rechts Gershwin

Tijdens een verblijf in Europa in 1927 en 1928 waar hij verschillende Europese steden als Londen, Parijs en Wenen aandeed maakte hij de eerste schetsen voor zijn orkestwerk An American In Paris. Hij maakte tijdens die trip kennis met Maurice Ravel, Igor Stravinsky, Darius Milhaud, Francis Poulenc en Serge Prokofiev, die allen geporteerd waren van zijn composities. Gershwin, van nature erg leergierig, vroeg aan verschillende collegae componisten of hij les van hen kon krijgen. De antwoorden waren altijd afwijzend, maar wel respectvol. Het antwoord van Ravel was: “Waarom zou u een tweederangs Ravel worden, terwij u reeds een eersteklas Gershwin bent?”. Dezelfde vraag stelde Gershwin ook later aan Stravinsky, waarop Stravinsky aan hem vroeg hoeveel hij verdiende. Gershwin noemde een bedrag van zes cijfers waarop Stravinsky toen zei: “ Dan kan ik beter bij jou studeren”.[8] Niet iedereen was zo respectvol naar Gershwin. Toen Gershwin op 14 december 1929 in Carnegie Hall een jeugdconcert verzorgde met het New York Philharmonic in de serie Young People’s Concert - de serie die beroemd is geworden door Leonard Bernstein - en daarin zijn Rhapsody in Blue uitvoerde onder leiding van organisator componist dirigent Ernest Schelling, was de Russische componist Alexander Glazounov aanwezig met zijn vriend, de pianist Vladimir Drozdoff. Glazounov vond de Rhapsody verschrikkelijk lelijk en Drozdoff nam hem na afloop mee naar de kleedkamer van Gershwin, die zeer vereerd was met het hoge bezoek. Gershwin vroeg - via Drozdoff - of hij instrumentatieles kon krijgen van Glazounov want dat was zijn diepste wens. Glazounov keek met een minderwaardige blik naar Gershwin en zei tegen Drozdiff: “Hij wil instrumentatieles van mij krijgen, terwijl hij niet eens weet wat contrapunt is”? Drozdoff heeft het niet letterlijk vertaald voor Gershwin, maar schijnt het iets positiever gebracht te hebben.[9]

In augustus 1929 werd in het Lewisohn Stadium te New York het eerste Gershwin-festival georganiseerd, een concert met louter muziek van Gershwin. In 1932 schreef Gershwin in opdracht van Serge Koussevitzky een werk voor piano en orkest, de Second Rhapsody. Koussevitzky voerde het werk in Boston uit met Gershwin aan de piano. Het werk werd niet zo positief ontvangen als de Rhapsody in Blue en het Concerto in F. Men vergeleek het met de Rhapsody in Blue, maar het is een compleet ander werk, technisch veel beter en met een heel fantasievolle instrumentatie van Gershwin zelf.[9] Het stuk wordt tegenwoordig vaker in de VS dan in Europa uitgevoerd. Na een korte vakantie op Cuba in 1932 schreef Gershwin het orkestwerk 'Rhumba', later Cuban Overture genoemd. Het is een stuk met veel Zuid-Amerikaanse ritmes en Cubaanse slaginstrumenten dat geregeld op de Europese podia te horen is.

Porgy and BessBewerken

Nadat Gershwin in 1933 niet zo veel verplichtingen meer had op Broadway en veel concerten overliet aan zijn vriend pianist Oscar Levant, begon hij met het componeren van zijn opera Porgy and Bess. Het was geen opdracht. Gershwin liep al lange tijd met dat idee rond sinds hij in 1926 het boek Porgy van DuBose Heyward had gelezen. De Metropolitan Opera te New York was wel geïnteresseerd in Porgy en bood Gershwin zelfs een voorschot van 5000 dollar, maar Gershwin ging er niet op in. Er werd uiteindelijk een contract getekend met het Theatre Guild, dat ook de toneelversie van Porgy op de planken had gebracht. Het contract werd getekend op 26 oktober 1933.[8]

De opera voltooide Gershwin op 2 september 1935. Elf maanden nam het componeren in beslag en negen maanden het instrumenteren. Gershwin liet niets aan het toeval over, hij beschouwde het werk als zijn beste werk tot dan toe. Tot grote teleurstelling van Gershwin werd het echter niet zo’n geweldig succes. De mensen die gekomen waren voor de zoveelste ‘Gershwin musical’ kregen een te ambitieuze productie voorgeschoteld en de mensen die een serieus traditionele opera hadden verwacht, werden geconfronteerd met een Broadway-achtig spektakelstuk. Gebleken is echter dat Porgy and Bess de sterkste opera van de jaren 30 is en een van de belangrijkste opera’s van de 20ste eeuw is. Al zijn ontmoetingen met collegae componisten gedurende de diverse reizen die Gershwin ondernam in de jaren 20 en 30 hebben bijgedragen aan het hoge muzikale niveau van Porgy and Bess.[1]

Na de première in het Colonial Theatre te Boston vertrok de hele cast naar het Alvin Theatre in New York en volgden steden als Detroit, Pittsburgh en Chicago. De voorstellingen in Washington veroorzaakten een complete sociale ‘revolutie’ in de Amerikaanse theater geschiedenis; voor het eerst werden er zwarte mensen toegelaten tot de voorstellingen in het National Theatre. De rassenvooroordelen werden (even) opzij geschoven. Zwarte en witte mensen zaten naast elkaar te kijken en te luisteren naar hetzelfde stuk. Pas na de dood van Gershwin werd Porgy and Bess een groot succes. Veel liederen uit de opera zijn evergreens geworden, er zijn verschillende lp en cd uitgaves verschenen waaronder een van Nicolaus Harnoncourt, de pionier van de “authentieke uitvoeringspraktijk” van oude muziek, en een verfilming uit 1959 van producent Samuel Goldwyn met o.a. Sidney Poitier en Sammy Davis Jr. in de hoofdrollen. In 1972 toen de rechten van Samuel Goldwyn verlopen waren, plaatste Ira en zijn vrouw Leonore de film op de index. Ze vonden het een slechte ‘hollywoodversie’ van het stuk. De film mag niet meer vertoond worden en elke kopie die nog gevonden wordt, moet direct vernietigd worden.[9] Feit is dat Goldwyn van de opera een musical heeft gemaakt; alle dialogen worden gesproken, alleen de liederen worden gezongen.

In 1936 verhuisde Gershwin, samen met Ira, naar Beverly Hills omdat hij van RKO opdracht kreeg een paar filmmusicals te maken: Shall We Dance en A Damsel in Distress. Hij werd in Beverly Hills buurman van Arnold Schönberg met wie hij een heel vriendschappelijke band onderhield; ze kwamen bij elkaar over de vloer, tennisten vaak en kletsten met wederzijds respect over muziek. Gershwin heeft zich echter nooit thuis gevoeld in Hollywood. Vanaf de eerste dag dat hij er woonde, verlangde hij weer terug naar New York, hij was een geboren en getogen Brooklynner.[1] Het laatste orkestwerk, de ouvertures en instrumentale entre’acts van de filmmusicals niet meegeteld, dat Gershwin schreef was de Suite Porgy and Bess, in 1958 door Ira omgedoopt tot Catfish Row en als zodanig bekend gebleven. De dag voor zijn dood werd Gershwin benoemd tot lid van de Academia Sancta Caecilia te Rome.

Betekenis en belang van zijn muziekBewerken

Gershwin groeide op in een Joods middenklasse gezin in de Lower East Side en in Harlem, begin 20e eeuw. Een smeltkroes van immigranten waar men open stond voor Amerikaanse populaire muziek zoals revues en musicals, de lichte Europese muziek zoals operette, wals- en marsmuziek en de serieuze Europese muziek zoals Bach, Beethoven, Liszt, Tsjaikovski en Debussy.[10]

Toen Gershwin als songplugger begon componeerde hij zelf al en was hij goed op de hoogte met de geschiedenis van de Europese muziek. Gershwin had een heel brede smaak: hij hield van de strijkkwartetten van Paul Hindemith maar ook van het werk van Harold Arlen en kon genieten van Alban Berg en van Art Tatum. Veel respect had Gershwin voor Irving Berlin, de componist van Alexander’s Ragtime Band (1911). Hij vond Berlin een genie, een zeer kundig componist. Hij beschouwde hem als de Amerikaanse Schubert, de “vierde B”, de componist die voor alle anderen de weg geplaveid had en waarvan hij ook de nodige inspiratie had gekregen.[11]

Gershwin besloot van het begin af aan niet alleen de Amerikaanse volksmuziek in zijn eigen muziek toe te passen, maar ook actief te zijn op het gebied van de Amerikaanse volksmuziek zelf, de musical, daarbij gebruikmakend van radio en film. Hij bracht op deze manier de Amerikaanse musical op een artistiek dermate hoog niveau dat hij op zijn beurt deze getransformeerde volkstaal kon toepassen op klassieke vormen als de pianopreludes, het pianoconcert en de opera. Het was tevens precies de juiste tijd om het te doen.[4][11] Daarnaast was de basis reeds gelegd door mensen als Irving Berlin, Cole Porter, Ferde Grofé, James P. Johnson, Richard Rodgers, Duke Ellington en Fats Waller.

Gershwin bezat de kunst om zoveel mogelijk stijlen en compositietechnieken in zich op te nemen, inclusief de meesterwerken uit de muziekgeschiedenis vanaf de renaissance tot aan de meesterwerken van zijn eigen tijd, die van Stravinsky, en de Amerikaanse populaire muziek en de Amerikaanse volksmuziek waarvan de roots zich bevinden in de Ierse, Engelse, Aziatische, Latijn-Amerikaanse, Joodse, Spaanse en zwarte gemeenschappen. Zijn muziek bleef altijd persoonlijk en reflecteerde altijd zijn eigen zienswijze op dingen en de maatschappij. In dat licht zag Gershwin zichzelf als geestverwant van Mozart en Chopin.[12]

Over de betekenis van Gershwin in de muziekgeschiedenis zegt Arnold Schönberg, vriend en bewonderaar van Gershwin, het volgende: “In de ogen van veel musici is George Gershwin geen serieuze componist. Maar ze zouden moeten snappen dat hij, serieus of niet, componist is - dat wil zeggen, een man die opgaat in de muziek en er alles in uitdrukt, serieus of niet - omdat het zijn moedertaal is. Er zijn talloze componisten, serieuze (denken ze zelf) of niet serieuze (als je het mij vraagt), die geleerd hebben noten aan elkaar te rijden. Maar die zijn serieus vanwege een totaal gebrek aan humor en bezieling. Mij lijkt het boven alle twijfel verheven dat Gershwin een vernieuwer was. Wat hij heeft gedaan aan ritme, harmonie en melodie is niet alleen een kwestie van stijl. Het is wezenlijk anders dan het maniërisme van menig serieuze componist. Zulk soort maniërisme is gebaseerd op kunstmatige hypothesen, die het resultaat zijn van speculatie en conclusies op grond van de trends en oogmerken die op een gegeven moment onder componisten van eenzelfde generatie in zwang zijn. Zulk soort stijl is een oppervlakkige combinatie van kunstgrepen, toepgepast op een minimum aan ideeën. Zulk soort muziek zou je uit elkaar kunnen halen en op eenzelfde manier weer in elkaar kunnen zetten, met als resultaat eenzelfde onbenulligheid, maar dan door een ander maniërisme tot uiting gebracht. Met de muziek van Gershwin zou dat niet kunnen. Zijn melodieën zijn geen produkten van een combinatie of van een mechanische koppeling, het zijn eenheden en daarom kunnen ze onmogelijk uit elkaar worden gehaald. Melodie, harmonie en ritme zijn niet aaneen gelast maar gesmeed. Voor mij is hij kunstenaar en componist; hij vertolkte muzikale ideeën – en die waren nieuw, evanals de manier waarop hij ze vertolkte”.[13]

Gershwin worstelde zelf af en toe met dat probleem om een onderscheid te maken tussen zijn muziek voor het populaire podium en zijn serieuzere werk. In de praktijk echter bestond er geen strakke lijn tussen deze twee werkvelden. Hij schreef zijn twee opera’s voor het Broadway podium en zijn Rhapsody in Blue (1924) en zijn An American in Paris (1928) vonden hun weg naar revues en musical comedies. En vanuit de andere kant vond zijn Second Rhapsody (1931), een van zijn meest progressieve concertwerken en geschreven als onderdeel van de musical comedy Delicious, de weg naar het concert podium. Alhoewel zijn opera’s en zijn orkestwerken zijn meest ambitieuze werken zijn, bevat zijn complete oeuvre een herkenbare persoonlijke stijl bestaande uit: expressieve melodieën (vaak gekenmerkt door pentatonische reeksen en blue-notes); levendige, gesyncopeerde ritmes; rijke en gedurfde akkoordreeksen[14]; scherp omlijnde structuren met schitterende klankkleuren en meeslepende vormen met spannende climaxen.[15]

Ten slotte streefde Gershwin er constant naar om in al zijn werken het optimistische Amerikaanse leven weer te geven, om, zoals hij het uitdrukte, een 'stem' te geven aan de 'geest' en de 'ziel' van het Amerikaanse volk, op manieren die toegankelijk zijn voor de doorsnee luisteraar. In een statement dat hij maakte naar aanleiding van de Rhapsody in Blue komt duidelijk naar voren wat hij bedoelde: “Ik hoorde het als een soort van muzikale caleidoscoop van Amerika – van onze enorme smeltkroes, van onze ongedupliceerde nationale pit, van onze blues, onze grootstedelijke waanzin”. Met smeltkroes bedoelt Gershwin de grote etnische verscheidenheid in het Manhattan van zijn jeugd die in zijn muziek weer tot uiting komt door de grote verscheidenheid van stijlen zoals hierboven beschreven. Met pit bedoelt hij de Amerikaanse bereidheid om hard en snel te willen werken, wat weer in zijn muziek te horen is door de ritmische structuren, de syncopes en de dynamische akkoord progressie. Gershwin zei eens: “Ik zou willen dat mijn composities zo energiek zijn dat ik wettelijk verplicht zou zijn om kalmerende middelen af te geven bij elke verkochte partituur”.[15]

Blues staat voor droefheid en eenzaamheid, maar bij Gershwin is het op een ironische manier zoals in An American In Paris en The Half Of It, Dearie, Blues. Hij doet dat met ‘blue-notes’, dalende intervallen, chromatische tegenthema’s en plotselinge modulaties naar mineur toonsoorten.[4] Maar zijn humor komt het best tot uiting in samenhang met het woord. Gershwin heeft altijd uitstekende tekstdichters gehad: Irving Ceasar, Buddy DeSylva, DuBose Heyward maar bovenal zijn eigen broer, Ira, die de humor van zijn muziek als geen ander wist te benadrukken. Zijn muziek, met al zijn krachtige emoties en nieuwe ideeën, bewees door zijn universele aantrekkingskracht een groot publiek te kunnen bereiken.[16]

Persoonlijk levenBewerken

 
Paulette Goddard in 1937

Gershwin was attent en genereus, ietwat in zichzelf gekeerd, tactvol, artistiek gezien avontuurlijk en ruimdenkend, een beetje verlegen en gereserveerd, maar zeer geanimeerd en buitengewoon beminnelijk en alom gerespecteerd, niet alleen door een groot internationaal publiek, maar ook door talrijke collega's, waaronder enkele van de meest vooraanstaande componisten van zijn tijd.[17] Gershwin was een ongelooflijk harde werker.[1] Naast zijn concertante werken, pianistische- en directie activiteiten, schreef hij in 25 jaar tijd meer dan 500 songs (zie de oeuvre lijst)

Gershwin is nooit getrouwd geweest en heeft ook nooit een vaste relatie gehad. Hij had wel een hele schare van vrienden en vriendinnen om zich heen. Als hij op vakantie ging, reisde er altijd een hele club vrienden mee. Als hij uitgenodigd werd voor een concert of voorstelling ging hij altijd met een vriend of vriendin. Ondanks zijn vele vrienden en zijn druk societyleven voelde Gershwin zich in Beverly Hills enorm eenzaam. Voor het eerst bevredigde roem en succes hem niet meer. Hij sprak constant met een soort van wanhopige manier over trouwen,[18] terwijl hij met niemand een vaste relatie had. Op een keer schreef hij brieven aan enkele van zijn vroegere vriendinnen, waarin hij hen uitnodigde naar Californië te komen. Toen er niemand kwam opdagen, voelde hij zich nog eenzamer.

David Ewen schrijft in zijn biografieën 'A Journey to Greatness' uit 1958 en 'His Journey to Greatness' uit 1970 over Gershwin’s relaties het volgende: ”Begin 1937 had hij het gevoel verliefd te zijn op Paulette Goddard, die toen met Charles Chaplin getrouwd was. Hij voelde zich sterk tot haar aangetrokken toen hij haar tegenkwam op een galaparty in Hollywood en hij was er direct van overtuigd dat zij z’n toekomstige vrouw moest worden, ook al was ze met een ander getrouwd.[19] Iedereen probeerde het uit zijn hoofd te praten, maar dat haalde niets uit. Toen zij, na een gesprek, hem duidelijk maakte dat ze geenszins van plan was Chaplin te verlaten, schokte hem dat heel erg".[20]

Toen het bericht kwam dat zijn beste vriend, Bill Daly (aan wie hij zijn Preludes for piano had opgedragen[21]), plotseling op 49-jarige leeftijd was overleden in december 1936, raakte hij helemaal in de put. Hij voelde zich eenzaam en verlaten en kreeg last van allerlei lichamelijke ongemakken.[22][23] Zijn vroegere geest- en werkdrift verdwenen langzaam. Een paar maanden voor zijn dood vroeg hij aan zijn vriend Alexander Steinert: “Ik ben achtendertig, rijk, beroemd, maar diep ongelukkig. Waarom?”. Zijn artsen wisten niet wat het was en beweerden dat het een zenuwinzinking was van voorbijgaande aard.[24][25]

De eerste symptomen van een ernstige hersentumor openbaarden zich in februari 1937 tijdens een repetitie met de Los Angeles Philharmonic. Terwijl hij fragmenten uit de Porgy and Bess dirigeerde, wankelde hij opeens op zijn benen. Zijn assistent, Paul Mueller, dacht dat hij ging vallen en stoof het podium op. Maar het was al weer over en Gershwin verzekerde hem dat er niets aan de hand was. De repetitie ging door en het voorval werd vergeten. Maar die avond, tijdens een uitvoering van het Concerto in F, had hij een black-out en haperde zijn spel; later zei hij dat hij dacht dat hij brandend rubber had geroken. De artsen konden niets vinden en Gershwin nam zich voor er niet meer aan te denken. Toch herhaalde zich dit een paar keer en omstreeks juni begon hij over hevige hoofdpijn te klagen, hij werd prikkelbaar en erg nerveus. Eind juni, toen de hoofdpijnen erger werden en aanbleven, werd Gershwin opgenomen in het Cedars of Lebanon Hospital in Los Angeles. Zijn coördinatie verminderde, hij kon geen glas meer recht houden. Pianospelen ging niet meer. Uiteindelijk functioneerde niets meer. Tien juli werd George Gershwin naar de operatiekamer gebracht. Vier artsen verwijderden een grote tumor bij hem. De ingreep duurde bijna vier uur. Gershwin is niet meer bij kennis gekomen en stierf een paar uur later, op 11 juli 1937, om 10:35 uur in de ochtend op 38-jarige leeftijd.[26] Hij ligt begraven op Westchester Hills Cemetery, New York.

Beeldend kunstenaarBewerken

 
Gershwin met zijn eerste olieverf schilderij, New York

Onder invloed van zijn broer Ira en vooral van zijn neef Henry Botkin, die hem ook technisch onderricht gaf, ging Gershwin zich bezig houden met schilderen en tekenen. Hij besteedde er veel tijd aan en had er plezier in. Hij beoefende de (beeldende) kunst als zijn muziek: met veel passie; hij had het gevoel dat ze nauw met elkaar verbonden waren, muziek en schilderkunst. Florenz Ziegfeld kwam wel eens op bezoek bij de Gershwins en zag dat ze beiden heel druk waren met het schilderen van portretten, zowel Ira als George.[27] Gershwin was een bewonderaar van de impressionisten, met name van Paul Cézanne, van wie hij een schilderij in bezit had. In amper zes jaar tijd bouwde Gershwin een collectie hedendaagse kunst op. Hij verdiepte zich er in, bezocht galerieën en kocht kunst die hij mooi vond. Zijn neef Botkin adviseerde hem daarin. Als Botkin iets zag waarvan hij dacht dat zijn neef, George, er wel in geïnteresseerd zou zijn, stuurde hij er een foto van op met een beschrijving er bij. Gershwin besloot dan of hij het wilde hebben of niet. De collectie van Gershwin omvatte uiteindelijk meer dan honderd werken, waaronder de inmiddels beroemd geworden buste van hemzelf van Noguchi, De absinth drinker van Picasso en werken van verschillende Amerikaanse kunstenaars. Schilderijen waren in zijn ogen geen ornamenten of wandversiering, en intellectueel snobisme kende hij niet. Namen verzamelde hij niet, maar doeken.

Hij bleef zelf ook schilderen en voerde, net als in zijn muziek, een volstrekt eigen koers. In de acht korte jaren dat hij schilderde, tekende en aquarelleerde, gaf hij blijk van een toenemende tekenvaardigheid en beheersing van het palet.[28] Gershwin heeft zich vooral onderscheiden in de portretkunst. De laatste portretten die hij maakte zijn die van Jerome Kern, een bekend musical componist uit die tijd, en Arnold Schönberg. De intense, dynamische impulsen van zijn muziek werden het overheersende element in zijn schilderkunst. In dit opzicht sprak het werk van Georges Rouault hem erg aan, vooral de levendigheid en de sfeer die het uistraalde. In zijn schilderwerken en met name zijn portretten streefde hij naar de exacte omlijning die bepalend was voor de vorm en hield zich voortdurend bezig met compositie en kleur. Hij probeerde in zijn schilderijen dezelfde warmte, bezieling en kracht te geven zoals dat ook in zijn muziek is te vinden.[29] In zijn Zelfportret met geruite trui construeerde hij zijn vormen door de verf in lagen op te brengen; het resultaat is een uiterst dramatisch schilderij met een grote emotionele zeggingskracht, warm en levendig. Het portret van Schönberg is een dynamisch expressief schilderij waarin hij de persoonlijkheid van de geportretteerde zo goed mogelijk probeert weer de geven. Tegen zijn neef Botkin zei hij eens: “Ik val op dissonanten; het voor de hand liggende verveelt me. De nieuwe muziek en de nieuwe schilderkunst lijken op elkaar qua ritme, ze hebben een sombere zeggingskracht en een grote gevoeligheid gemeen”.[29] Sommige werken van Gershwin hebben diepe, volle kleuren zoals het portret van Jerome Kern, andere, zoals het portret van zijn grootvader, weer iets folklore-achtigs. De laatste zeven jaar van zijn leven besteedde Gershwin net zo veel tijd aan schilderen als aan componeren en musiceren. Als hij op reis was schilderde en schetste hij, en altijd zaten zijn schetsboek en zijn ezel in zijn bagage.

Frank Crowningsfield (1872-1947), hoofdredacteur van het maandblad Vanity Fair en een van de oprichters van het Museum of Modern Art in New York, schreef in een essay, naar aanleiding van een postume expositie van schilderijen en tekeningen van Gershwin in de Marie Harriman Gallery van 18 december 1937 tot 4 januari 1938, het volgende: ‘Wat ongetwijfeld zijn beste werk blijft, is in de laatste drie jaar van zijn leven tot stand gekomen. We hoeven maar te kijken naar de portretten van Schönberg en Kern en de beide zelfportretten, en die te vergelijken met zijn eerste portretten, om te beseffen hoe opmerkelijk zijn vorderingen waren, niet alleen technisch maar ook gevoelsmatig”.

Belangrijkste werkenBewerken

  Zie Oeuvre van George Gershwin voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Concertante werkenBewerken

BroadwaymusicalsBewerken

HollywoodmusicalsBewerken

OpnamesBewerken

PianorollenBewerken

Gershwin heeft verschillende opnames van zijn muziek gemaakt. Van 1916 tot en met 1924 speelde hij songs van hemzelf in op pianorollen en de Rhapsody in Blue, in twee gedeeltes. In 1920 nam Gershwin als lid van het Vernon Trio –George op piano, Bert Ralton op altsax en Eddie King op banjo- twee songs op. De opname is echter nooit uitgebracht. Ook latere opnames met het trio en met het Van Eps Trio waar Gershwin ook in speelde, zijn nooit uitgebracht. De maatschappij zag er het nut niet van in.[30]

RadioBewerken

De eerste keer dat Gershwin op de radio was te beluisteren, was op 14 december 1926 in het programma 'NBC Everready Hour'. Op 8 december 1929 trad hij op in een uur durend programma rond zijn muziek. Hij speelde in dat programma de Rhapsosy in Blue en verschillende van zijn eigen songs. Verdere gastoptredens had Gershwin in 1931 in Walter Damrosch’s “Music Appreciation Hour”, waar hij het tweede deel van zijn Concerto in F speelde en in 1932 en 1933 een paar keer in de radioshow van Rudy Vallée.

Vanaf 19 februari 1934 was hij twee keer in de week te horen met een eigen radioshow, “Music by Gershwin”, op maandag- en vrijdagavond van half acht tot kwart voor acht. Het programma liep tot juni toen Gershwin naar Charleston vertrok om te werken aan de Porgy and Bess. Een tweede serie programma’s “Music by Gershwin” begon 30 september 1934 en werd uitgezonden op de zondagavond van zes tot half zeven. In de Gershwin Archieven worden geen opnames van deze uitzendingen bewaard. De laatste keer dat Gershwin live op de radio te horen was, was tijdens een uitzending van het concert op 9 juli 1936 dat gehouden werd in het Lewisohn Stadium waar hij de Rhapsody in Blue en het Concerto in F speelde onder leiding van Alexander Smallens.

StudioBewerken

In de studio heeft Gershwin verschillende opnames gemaakt. Veel van deze opnames zijn reeds in de jaren 60 en 70 uitgebracht op lp en tegenwoordig op cd. De, historisch gezien, belangrijkste opnames zijn:

Rhapsody in Blue:

-Opgenomen op 10 oktober 1924 met het Paul Whiteman Orchestra (met een flinke coupure)

-Opgenomen op 24 april 1927 met het Paul Whiteman Orchestra (met enkele coupures om het op een enkele 78 toerenplaat te krijgen)

Three Piano Preludes

Opgenomen in Londen op 8 juni 1928

Andante (uit: Rhapsody in Blue)

Opgenomen in London op 8 juni 1928, pianosolo

An American In Paris

Opgenomen op 4 februari 1929 met het Victor Symphony Orchestra onder leiding van Nathaniel Shilkret. (Gershwin piano en celesta)

Concerto in F (derde deel in een arrangement van Eliot Jacobi)

Uitgezonden in de radioshow van Rudy Vallée op 9 november 1933

Medley van I Got Rhythm en Of Thee I Sing

Uitgezonden in de Rudy Vallee Show op 9 november 1933 met koor en orkest en Gershwin aan de piano.

Verschillende Songs

Opgenomen in Londen en New York in 1926 en 1929

De opnames zijn uitgebracht op o.a.:

  • The Two Sides Of George Gershwin, Halcyon Compact Discs DHDL 101
  • George Gershwin Plays George Gershwin, Pearl Records GEMM CDS 9483

Op de cd Gershwin Performs Gershwin van Decca, Limelight 820 842-2 staan de volgende historische opnames met Gershwin als pianist en dirigent:

  • twee complete radio programma’s van Gershwin’s eigen show “Music by Gershwin”, de uitzending van 19 februari 1934 en die van 30 april 1934,
  • het radioprogramma Rudy Vallée “Fleischmann Hour” waar Gershwin als speciale gast optreedt,
  • repetitie van Second Rhapsody op 26 juni 1931 met Gershwin als pianist en dirigent met een gehuurd orkest
  • een paar fragmenten van een repetitie van de originele cast van Porgy and Bess op 19 juli 1935 met o.a. Summertime, A Woman Is A Sometime Thing, My Man’s Gone Now en Bess, You Is My Woman Now. Onder leiding van Alexander Smallens en Gershwin aanwezig in de zaal als toehoorder.

LiteratuurBewerken

  • Goldberg, Isaac, George Gershwin, A Study in American Music,Frederick Ungar Publishing, New York; First Edition, 1958
  • Rimler, Walter, George Gershwin, An Intimate Portrait, University of Illinois Press; 1st edition, 2011.ISBN-13 : 978-0252034442
  • Hyland, William G., George Gershwin, A New Biography, Uitgave: Praeger; Illustrated edition, 2003. ISBN-13 : 978-0275981112
  • Armitage, Merle, George Gershwin, Man and Legend. Van Rees Press, New York, 1958. Library of Congress Catalogue Number 58-12265
  • Peyser, Joan, The Memory of All That:The Life of George Gershwin, Uitgave Hal Leonard; Revised edition, 2007. ISBN-13 : 978-1423410256
  • Horowitz, Joseph, "On My Way": The Untold Story of Rouben Mamoulian, George Gershwin and Porgy and Bess, Uitgave W. W. Norton & Company; Illustrated edition, 2013. ISBN-13 : 978-0393240139
  • Schneider, Wayne, The Gershwin Style: New Looks at the Music of George Gershwin, Oxford University Press; 1st edition, 1999. ISBN-13 : 978-0195090208
  • Ewen, David, George Gershwin, his journey to greatness, Uitgave Prentice-Hall; 1st Edition, 1970. ISBN-13 : 978-0133538540
  • Schwartz, Charles, Gershwin, His Life and Music, Abelard-Schuman, London, 1974. ISBN 0 200 72129 1
  • Jablonski, E., Steward, Lawrence D., The Gershwin Years, Robson Books, London, 1974. ISBN 0 903895 19 6
  • Kimball, Robert en Simon, Alfred, The Gershwins, Jonathan Cape, London, 1974 ISBN 0 224 01014 X
  • Jablonski, Edward, Gershwin Remembered, (vert. Marie-Anne van der Marck), Uitgeverij J.H.Gottmer/H.J.W.Becht, Bloemendaal, 1993. ISBN 90 257 2489 2
  • Pollack, Howard, George Gershwin, His Life and Work, 2006. The Regents of the University of California, Los Angeles. ISBN 978-0-520-24864-9

Zie ookBewerken

  Zie de categorie George Gershwin van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.