Christiane van Erbach

Gravin van Nassau-Siegen, geboren gravin van Erbach

Gravin Christiane van Erbach[noot 1] (5 juni 1596[1][2][3][4]Culemborg, 6 juli 1646[1][noot 2][2][3][4]), Duits: Christiane Gräfin zu Erbach, was een gravin uit het Huis Erbach en door huwelijk gravin van Nassau-Siegen.

Christiane van Erbach
15961646
Geboren 5 juni 1596
?
Overleden 6 juli 1646
Culemborg
Vader George III van Erbach
Moeder Maria van Barby en Mühlingen
Dynastie Huis Erbach
Broers/zussen Dorothea, Frederik Christiaan, George Albrecht I, Elisabeth Juliana, Louise Juliana
Partner Willem van Nassau-Siegen
Kinderen Johan Willem, Maurits Frederik, Maria Magdalena, Ernestina Juliana, Elisabeth Charlotte, Hollandina, Wilhelmina Christina
Erbach.PNG
Het wapen van de graven van Erbach

BiografieBewerken

Christiane werd op 5 juni 1596 geboren als dochter van graaf George III van Erbach en gravin Maria van Barby en Mühlingen.[1][2][3][4] Ze huwde in Siegen[noot 3] op 17 januari 1619[1][noot 4] met graaf Willem van Nassau-Siegen (Dillenburg, 13 augustus 1592[1][noot 5]Orsoy, 7/17 juli 1642[1][noot 6]), de vijfde zoon van graaf Johan VII ‘de Middelste’ van Nassau-Siegen en diens eerste echtgenote, gravin Magdalena van Waldeck-Wildungen.[1][2][3][6]

 
Graaf Willem van Nassau-Siegen, de echtgenoot van Christiane. Atelier van Jan Antonisz. van Ravesteyn, ca. 1620-1630, Rijksmuseum Amsterdam.

Na het aflopen van het Twaalfjarig Bestand in 1621 nam Willem dienst in het Staatse leger,[2][7][8] waar hij op 24 juli 1622 werd benoemd tot kolonel der infanterie.[2] In 1625 werd hij gouverneur van Emmerik[2] en van 1626 tot 1637 was hij gouverneur van Heusden.[2][3][7] Willem nam deel aan het Beleg van ’s-Hertogenbosch[9] en het Beleg van Maastricht.[10] In april 1633 werd Willem benoemd tot veldmaarschalk als opvolger van graaf Ernst Casimir van Nassau-Diez.[11] In 1637 werd Willem gouverneur van Sluis[2][3] en nam hij deel aan het Beleg van Breda.[8] Bij de Slag bij Calloo op 17 juni leed Willem een nederlaag en verloor 2000 man, waaronder zijn zoon Maurits Frederik.[7][8][12][13] Tijdens het Beleg van Gennep in 1641 kreeg Willem een musketschot in de buik, waaraan hij later bezweek.[3]

 
Slot Siegen.
 
De Burcht Ginsburg.

Omdat het graafschap Nassau-Siegen zo’n klein land was (het had ongeveer 9.000 inwoners en bracht jaarlijks ongeveer 13.000 gulden op) besloot Willems vader Johan VII ‘de Middelste’ dat het graafschap niet opnieuw verdeeld moest worden. Om dat te voorkomen maakte hij in 1607 een testament, waarin stond dat alleen de oudste zoon zou regeren, en de andere kinderen met geld of ambten moesten worden gecompenseerd. In een codicil van 8 oktober 1613 legde Johan ‘de Middelste’ uitdrukkelijk vast dat zijn erfgenamen het land in de gereformeerde belijdenis moesten laten. Aan dit bij testament vastgestelde huisrecht veranderde de bekering van zijn tweede zoon, Johan ‘de Jongere’, tot het katholicisme aanvankelijk niets, omdat hij niet de oudste zoon was. Dat was namelijk Johan Ernst.[14] Tot grote verrassing van zijn verwanten trad Johan ‘de Jongere’ in 1617 in dienst bij de Spanjaarden en sloot zich dus aan bij de tegenstanders van het Huis van Nassau en de Republiek. In hetzelfde jaar sneuvelde zijn oudere broer Johan Ernst in dienst van de Republiek Venetië. Deze nieuwe situatie dwong Johan ‘de Middelste’ zich af te vragen of een vijand van Nassau en de Nederlanden überhaupt zijn erfgenaam kon blijven.[15] Op 15 november 1617 verklaarde Johan ‘de Middelste’ zijn testament van 8 april 1607 voor ongeldig.[16] Afschaffing van de primogenituur, d.w.z. het eerstgeboorterecht, zou echter een verdeling van het kleine land hebben betekend, en daarom verzette Johan ‘de Middelste’ zich tegen alle voorstellen in die richting. In plaats daarvan liet hij, in een minnelijke overeenkomst, Johan ‘de Jongere’ op 31 december 1617 een verklaring ondertekenen, waarin deze verklaarde dat, hoewel hij zelf katholiek was en bleef, hij zijn onderdanen niet tot een andere dan de bestaande geloofsbelijdenis zou dwingen.[14] Op 22 december 1618 stelde Johan ‘de Middelste’ een tweede testament op, dat de bovengenoemde toezeggingen van zijn zoon als voorwaarde had en nog steeds vasthield aan het eerstgeboorterecht. Hij stelde echter op de invoering van het ‘papendom’ de straf van onterving.[16] Pas toen Johan ‘de Middelste’ ervan overtuigd was geraakt dat Johan ‘de Jongere’ onder invloed van de jezuïeten stond en dat de mogelijkheid van een katholiek gebied binnen de Nassause landen een gevaar voor de protestantse inwoners betekende, liet hij zich overhalen tot het maken van een nieuw testament.[14] Op 3 juli 1621 stelde Johan ‘de Middelste’ een derde testament op, waarin hij vastlegde om het kleine graafschap Nassau-Siegen in drie delen te splitsen.[16] Zijn drie oudste zoons, Johan ‘de Jongere’, Willem en Johan Maurits, zouden elk een derde deel krijgen.[7] Het bestuur van de stad Siegen zou gemeenschappelijk voor de drie zoons blijven.[17] Voor Johan ‘de Jongere’ was in het derde testament dus slechts een derde van het graafschap voorzien. Op 6 augustus 1621 werd hij hiervan op de hoogte gesteld met een nauwkeurige opgave van de redenen die zijn vader tot deze stap hadden bewogen. Pas op 9 mei 1623, dat wil zeggen twee jaar later, protesteerde Johan ‘de Jongere’ hiertegen met een brief vanuit Frankfurt aan de raadsheren van Siegen. Natuurlijk had hij intussen niet stilgezeten en had hij niet geschroomd om zijn vader bij de keizer aan te klagen. Ten tijde van zijn protestbrief was hij zeker al op de hoogte van het Poenale mandatum cassatorium, dat keizer Ferdinand II enige tijd later, op 27 juni 1623, officieel uitvaardigde en waarmee Johan ‘de Middelste’ meegedeeld werd dat hij ten tijde van het opmaken van zijn derde testament als medestrijder van de vogelvrij verklaarde Winterkoning niet gerechtigd was een testament op te maken. Hij moest dit testament dus intrekken en zich binnen twee maanden voor een keizerlijk gerechtshof verantwoorden. Het heeft er alle schijn van dat Johan ‘de Jongere’ er daarna voor teruggeschrokken is het keizerlijk decreet aan zijn ernstig zieke vader te laten bezorgen.[16] Johan ‘de Middelste’ overleed op 27 september 1623 op Slot Siegen. Geen van de drie in het testament genoemde zoons was bij het overlijden van hun vader aanwezig. Op 13 oktober arriveerden Willem en Johan Maurits in Siegen, en op 26 oktober Johan ‘de Jongere’.[18] Iedereen wist dat er ruzie zou komen bij de voorlezing van het testament op 11 december 1623. Johan ‘de Jongere’ liet het keizerlijke decreet voorlezen, en toen zijn broers daar niet erg van onder de indruk waren, zei hij bij het opstaan: ‘Der Kaiser wird uns scheiden!’. Hij had de voorzorg genomen om een volgend keizerlijk decreet van 20 november 1623 te verkrijgen tegen gravin-weduwe Margaretha en haar zoons, waarin de keizer ten strengste verbood om Johans regeringsaanvaarding, zijn inbezitneming van het land en zijn huldiging te belemmeren. Johan ‘de Jongere’ kon op 12 januari 1624 de huldiging van de stad Siegen aanvaarden, maar alleen omdat hij tevoren in een hevige sneeuwstorm heimelijk een eskadron geselecteerde ruiters door de kasteelpoort (dus niet door een stadspoort) de stad had binnengelaten, zodat zij door de stadswachten niet gezien of gehoord konden worden.[18] Johan ‘de Jongere’ kreeg dus de hele erfenis, en de bepalingen van het testament die te gunste van Willem waren gemaakt, bleven in 1623 dode letter. Maar op 13/23 januari 1624 stond Johan ‘de Jongere’ vrijwillig de soevereiniteit over het ambt Hilchenbach met de Burcht Ginsburg en enkele plaatsen die tot de ambten Ferndorf en Netphen behoorden, aan Willem af.[19] Voortaan had het graafschap Nassau-Siegen, tot 1645, twee regeringen, de ene in Siegen, de andere in Hilchenbach. Voor een korte periode (1632–1635) onderging deze situatie echter een tijdelijke verandering: tijdens de Dertigjarige Oorlog kwamen zijn broers, die aan protestantse zijde vochten, in opstand tegen Johan ‘de Jongere’.[17] Gravin-weduwe Margaretha wendde zich door bemiddeling van graaf Lodewijk Hendrik van Nassau-Dillenburg tot koning Gustaaf II Adolf van Zweden en vroeg om hulp tegen de machinaties van haar stiefzoon Johan ‘de Jongere’. Bijgevolg zond de Zweedse koning op 14 februari 1632 vanuit Frankfurt een bevel aan Lodewijk Hendrik om zijn verwant Johan Maurits militaire steun te verlenen. Lodewijk Hendrik bezette toen de stad Siegen met zijn regiment bestaande uit Nederlandse en Zweedse soldaten. Een dag later, op 29 februari, arriveerden Johan Maurits en zijn broer Hendrik in Siegen. Zoals acht jaar eerder Johan ‘de Jongere’ zijn ruiterij in reserve had gehouden, zo onderhandelden nu Johan Maurits en Hendrik, gesteund door de aanwezigheid van het Zweedse regiment, met de burgers, die zich gebonden voelden door de eed die zij aan Johan ‘de Jongere’ hadden gezworen. Op 4 maart, na lange en moeizame onderhandelingen, huldigden de burgers Johan Maurits en Hendrik.[20] Johan Maurits verkreeg voor zichzelf niet alleen het ambt Freudenberg, dat zijn vader in het testament van 1621 voor hem bestemd had, maar ook Netphen, dat in hetzelfde testament voor Johan ‘de Jongere’ bestemd was. Willem werd niet alleen bevestigd in het bezit van Hilchenbach, maar kreeg ook Ferndorf en Krombach, zoals het testament van zijn vader had bepaald. De stad Siegen bracht alleen hulde aan Willem en Johan Maurits, die pas in 1635 hun oudere broer Johan ‘de Jongere’ weer tot de mede-soevereiniteit toelieten. Deze herstelde echter spoedig de oude orde: in 1636 werd hij opnieuw de enige eigenaar van de bezittingen van zijn vader, met uitzondering van Hilchenbach, dat hij aan Willem liet, en bestuurde hij de stad Siegen weer alleen. Johan Maurits werd opnieuw uitgesloten van de soevereiniteit over het graafschap.[17]

Willem overleed op 7/17 juli 1642 in Orsoy en werd op 24 juli 1642 begraven in Heusden.[2] Hij liet zijn deel van het graafschap Nassau-Siegen na aan zijn halfbroer Johan Maurits.[21][22]

Graaf Willem Frederik van Nassau-Diez, de stadhouder van Friesland, noteerde in juni 1645 in zijn dagboek dat Christianes jongste dochter, de zestienjarige Wilhelmina Christina, de favoriete vriendin was van prins Willem II van Oranje, ‘die hij zoo dicwils custe als hij woude, alleen sijnde, en de borstjes tastede’. Willem II had Wilhelmina Christina wel moeten beloven ‘sich deechlijck te hauden’, maar het gevolg van deze intimiteit was dat Christiane niet wou hebben dat haar dochter alleen bij prins Willem was, ‘doch dat sie het allebeide sochten’.[23] Als Christiane binnenkwam ‘maeckte prins Wilhelm den slaepert’.[24] Ook na het overlijden van Christiane had de prins nog contact met Wilhelmina Christina. Zo schreef Willem Frederik in november 1648 in zijn dagboek dat Willem hem verteld had dat hij in het geheim tientallen bezoeken aan haar had afgelegd en haar tweemaal in bed had gezien, maar dat hij zich ‘degelijck’ gehouden had, ‘niet als kussen en eens geraeckt, doch en passant en op het lest’. Eerder had Willem al eens verteld dat hij Wilhelmina Christina graag ‘heel’ zou willen hebben; hij had haar liever als vrouw gehad dan wie ook.[25]

Christiane overleed op 6 juli 1646 in Culemborg. Ze werd begraven in Heusden.[2]

KinderenBewerken

Uit het huwelijk van Christiane en Willem werden de volgende kinderen geboren:[26][27][28]

  1. Johan Willem (Slot Siegen, 28 oktober 1619 – aldaar, 25 augustus 1623Jul.).
  2. Maurits Frederik (Slot Siegen, 19 januari 1621 – Calloo, 17 juni 1638), was kapitein in het Staatse leger, gesneuveld in de Slag bij Calloo.
  3. Maria Magdalena (Slot Siegen, 21 oktober 1622 – Spa, 20/30 augustus 1647), huwde op 25 augustus 1639 in Culemborg met graaf Filips Theodoor van Waldeck-Eisenberg (2 november 1614 – Korbach, 17 december 1645).
  4. Ernestina Juliana (Slot Siegen, 17/27 juli 1624 – Heusden, 9 juli 1634).
  5. Elisabeth Charlotte (Emmerik, 11 maart 1626 – Culemborg, 16 november 1694Jul.), huwde op 29 november/9 december 1643 in Culemborg met vorst George Frederik van Waldeck-Eisenberg (Arolsen, 31 januari 1620Jul. – aldaar, 9 november 1692Jul.).
  6. Hollandina (Heusden, 2 maart 1628 – aldaar, 14 oktober 1629).
  7. Wilhelmina Christina (1629 – Hildburghausen, 22 januari 1700), huwde op 26 januari 1660 op Slot Arolsen met graaf Josias II van Waldeck-Wildungen (Wildungen, 31 juli 1636 – Kreta, 8 augustus 1669).

VooroudersBewerken

De voorouders van Christiane van Erbach
Betovergrootouders George I van Erbach
(1440–1481)
⚭ 1472
Cordula van Fraunberg
(?–1501)
Michael II van Wertheim
(?–1531)

Barbara van Eberstein
(?–1529)
Johan VI van Salm-Dhaun
(1461–1499)
⚭ 1480
Johanna van Meurs-Saarwerden
(1464–1510)
Ferdinand van Neufchatel
(1452–1522)
⚭ 1485
Claudia van Vergy
(1465–1512)
Burchard van Barby en Mühlingen
(1454–1505)
⚭ 1482
Magdalena van Mecklenburg
(?–1532)
Gebhard VII van Mansfeld-Hinterort
(1478–1558)
⚭ 1510
Margaretha van Gleichen
(ca. 1495–1567)
Ernst van Anhalt-Zerbst
(?–1516)
⚭ 1494
Margaretha van Münsterberg
(1473–1530)
Joachim I Nestor van Brandenburg
(1484–1535)
⚭ 1502
Elisabeth van Denemarken
(1485–1555)
Overgrootouders Everhard XI van Erbach
(1475–1539)
⚭ 1503
Maria van Wertheim
(1485–1553)
Filips van Salm-Dhaun
(1492–1521)
⚭ 1514
Antoinette van Neufchatel
(1496–1544)
Wolfgang van Barby en Mühlingen
(1502–1564)
⚭ 1526
Agnes van Mansfeld-Hinterort
(1511–1558)
Johan II van Anhalt-Zerbst
(1504–1551)
⚭ 1534
Margaretha van Brandenburg
(1511–1577)
Grootouders Everhard XII van Erbach
(1511–1564)
⚭ 1538
Margaretha van Salm-Dhaun
(1521–1576)
Albrecht X van Barby en Mühlingen
(1534–1588)
⚭ 1559
Maria van Anhalt-Zerbst
(1538–1563)
Ouders George III van Erbach
(1548–1605)
⚭ 1592
Maria van Barby en Mühlingen
(1563–1619)

Externe linksBewerken