Hoofdmenu openen

Carel Fabritius

Nederlands kunstschilder

Carel Fabritius (Middenbeemster, gedoopt 27 februari 1622 - Delft, 12 oktober 1654) was een Nederlands kunstschilder uit de Gouden Eeuw; c. 1642-43 was hij leerling van Rembrandt. Hij is vrij jong omgekomen bij de explosie van het Kruithuis in Delft.[1]

Carel Fabritius
Carel Fabritius, zelfportret, ca. 1647
Carel Fabritius, zelfportret, ca. 1647
Persoonsgegevens
Volledige naam Carolus Pietersz. Fabritius
Geboren Middenbeemster, 1622
Overleden Delft, 1654
Geboorteland Vlag van Nederland Nederland
Nationaliteit Nederlands
Beroep(en) Kunstschilder
RKD-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
Carel Fabritius, Het puttertje, 1654

Inhoud

JeugdBewerken

Carel Fabritius' vader, Pieter Carelsz Fabritius, werd in 1619 schoolmeester en koster in de nieuw aangelegde polder, de Beemster. Zijn grootvader, afkomstig uit Gent, was predikant in Purmerend. Carel was de oudste en had twee jongere broers, eveneens schilders: Barent Fabritius (werkzaam te Amsterdam) en Johannes Fabritius (werkzaam te Hoorn). Net als zijn broer Barent werd Carel aanvankelijk opgeleid tot timmerman; het Latijnse 'faber' betekent handwerksman, dus fabritius). Hij leerde daarnaast schilderen van zijn vader[2] - van oorsprong een Vlaming die in Noord-Holland was terecht gekomen, en naast onderwijzer en predikant vanaf 1620 naast zijn baan ook officieel het schildersambt mocht uitoefenen van de stad Midden-Beemster.[3]

Leven en werkBewerken

Fabritius maakte portretten, genrestukken en historische werken; hij schilderde ook als hofschilder de portretten van de prinsen van Oranje. Er zijn slechts vijftien van zijn werken bewaard gebleven - waaronder twee zelfportretten - (in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam en de National Gallery in Londen).

Getuigenissen van zijn leven zijn erg summier; de meeste bronnen baseren zich op Van Bleyswijcks verslag uit 1667, waarin Fabritius o.a. tot 'den grootsten Constenaar (...) die Delleft oyt of Holland heeft gehad' wordt genoemd. Waarop die roem overigens dan is gebaseerd wordt niet erg duidelijk. Daarbij werden zijn doeken nog al eens voor een Rembrandt, zijn leermeester, aangezien. De geringe omvang van Fabritius' oeuvre wordt geweten aan zijn dood door de desastreuze Delftse kruithuis-ontploffing, maar toch kan dit niet alles daarvan verklaren; feit blijft dat hij zeker tien jaar! lang als schilder gewerkt heeft, zowel in Amsterdam als in Delft, en er dus meer werken toentertijd aangekocht zouden moeten zijn dan 15.[4]

Amsterdam & MiddenBeemsterBewerken

Carel trouwde in 1641 met Aeltge van Hasselt, zijn welgestelde buurmeisje (zus van de plaatselijke dominee), en vestigde zich met haar te Amsterdam in de Runstraat. Hij was c. 1642-43 in de leer bij Rembrandt, tegelijkertijd met Samuel van Hoogstraten. Zijn dochter Catrina werd er in 1643 gedoopt in de Nieuwe Kerk; het was in hetzelfde jaar dat hij vermeld werd als 'schilder'; twee jaar eerder was hij nog een 'timmerman. Fabritius verloor in Amsterdam zijn eerste en tweede kind en daarna zijn vrouw in 1643 (bij de bevalling van hun derde kind). De notaris-documenten tonen aan dat zijn vrouw bij haar dood bemiddeld was; zij bezat twee gouden kettingen, een aantal schilderijen en twee diamanten ringen die 200 gulden waard waren.

Het was in Amsterdam dat Carel Fabritius zo aantoonbaar bedreven raakte in de technieken van zijn leermeester Rembrandt, waardoor enkele van zijn werken, zoals De opwekking van Lazarus, later foutief aan Rembrandt werden toegeschreven. Fabritius had zich in korte tijd Rembrandts regels van de kunst eigen gemaakt; hij had mèt Van Hoogstraten ook het ontstaan van het grote, imposante schilderij [Nachtwacht]] meegemaakt op het atelier. In 1642 maakte Fabritius op zijn beurt z'n schilderij De opwekking van Lazarus (zie afbeelding op WikiCommons), in brede verftoetsen geschilderd - in een kleurpalet van bruinen, groenen en gelen; het was een schildertechniek die dichtbij Rembrandt's toenmalige techniek lag. Ook de plaatsing en de uitwerking van Fabritius' grote figuren daarin had sterke overeenkomsten met Rembrandt's Nachtwacht, zoals de uitgesproken geïsoleerde lichtstraal die valt op de figuren in het midden van het tafereel, waardoor ze extra worden benadrukt.[3]

Fabritius keerde c. juni 1643, na de dood van zijn vrouw in Amsterdam, terug naar Middenbeemster, waar ook zijn jongste dochtertje in augustus zou sterven; hij trok in bij zijn ouders aldaar. Uit een officiële vermelding blijkt dat hij nog tot in 1649-50 in de Beemster als schilder zou verblijven. In 1646 werd hij nog genoteerd als peetvader voor een zus.
Er zijn twee schilderijen uit deze periode van hem bekend: het Portret van Abraham de Potter en een familie-portret - beide gedateerd in 1648. Het laatste werk is helaas door brand verwoest in 1864; het enige wat ons nog rest is een beschrijving ervan door de Franse kunst-criticus Thoré-Bürger, die de kleur als gevlamd rood beschreef en de tonen in gebrande suiker van karamel, met daarbij heldere tonen van gloeiend gesmolten ijzer. [3]

Delftse jarenBewerken

 
Carel Fabritius, Gezicht in Delft, 1652. Het bijzondere breedbeeldeffect doet sterk vermoeden dat het de bedoeling was om het schilderij in een perspectiefkast te plaatsen.

In een document van 14 augustus 1650 werd de aankondiging van zijn tweede huwelijk met Agatha van Pruyssen (een weduwe uit Amsterdam) genoemd, en Fabritius zelf als inwoner van Delft.[1] Vanaf c. 1651 tot 1654 woonde hij op de Oude Delft te Delft, waar hij in contact kwam met de architectuurschilder Gerard Houckgeest, die ook invloed had op zijn latere ontwikkeling. Hij sloot zich op 29 oktober 1652 aan bij het Sint-Lucasgilde. In Delft maakte hij zich los van de invloed van Rembrandt en ontwikkelde zijn eigen stijl. Zijn techniek werd luchtiger en vloeiender, het kleurgebruik helderder. Op zijn beurt oefende Fabritius weer invloed uit op Johannes Vermeer en Pieter de Hooch, met name op het gebied van het perspectief en compositie. Zij waren vooral vol bewondering over zijn subtiele lichtweergave.

Zijn schilderij Gezicht in Delft uit 1652 (zie afbeelding, rechts) geeft een panoramisch beeld geeft van de hoek van de Oude Langendijk en het Vrouwenrecht, met de handelaar in overpeinzing gezonken naast een viola da gamba die links prominent op de voorgrond van het doekje aanwezig is. Het werk is geschilderd als achterwand voor een zogenaamde perspectiefkast: de voorstelling moest bekeken worden door een kleine opening in de voorzijde van de kast. Dergelijke constructies waren destijds vooral in Delft bijzonder populair en bronnen bevestigen dat ook Fabritius zulke kijkkasten gemaakt heeft. Op het platte vlak is het perspectief van de voorstelling sterk vertekend, maar geplaatst tegen de halfronde achterwand van een perspectiefkast werd de juiste ruimtelijke constructie zichtbaar.

Fabritius raakte als gevolg van de ontploffing van het Delftse kruithuis op 12 oktober 1654 in zijn eigen huis aan de Doelenstraat zwaargewond, samen met zijn schoonmoeder en de koster van de Oude kerk, Sijmon Decker, terwijl hij bezig was hem te portretteren, Enkele uren later overleed hij in het gasthuis aan zijn verwondingen; zijn tweede vrouw overleefde hem. Samen met de koster werd hij begraven in de Delftse Oude Kerk.[3] Aangenomen wordt dat er door de ontploffing brand is ontstaan in zijn huis in de Doelenstraat, waarbij veel van zijn schilderijen in het atelier aldaar verloren zijn gegaan. Dat zou ook de reden kunnen zijn voor het kleine aantal werken dat van Fabritius bewaard is gebleven. In 1654 schilderde Fabritius ook Het Puttertje. Recent is dit bekende schilderij gerestaureerd waarbij men kleine deukjes constateerde in de verflagen van het kleine werkje. Heel waarschijnlijk stond Het Puttertje in zijn atelier op de dag van de ontploffing van het Delftse Kruithuis; men vermoedt dat de deukjes afkomstig zijn van stukjes gruis of kruid, afkomstig van de ontploffing.[5]

SchilderstijlBewerken

Fabritius vroege werken zijn sterk beïnvloed door de stijl van Rembrandt, met name door diens dramatische licht-donkerwerking, de brede penseelvoering en het warme coloriet. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel van zijn vroegste werken eerst aan Rembrandt werden toegeschreven. Toch heeft Fabritius zich na verloop van tijd kunnen los maken van zijn voorbeeld: hij verliet later de donkere kleuren en gebruikte ze steeds vaker licht en vriendelijk. Daarnaast hield hij zich vooral bezig met coloriet en schildersperspectief; Van Hoogstraten en Houbraken benadrukken allebei in hun schildersboek dat Fabritius heel vaardig was in het schilderen van perspectief.[3]

Het gevoel voor atmosferische effecten en de weergave van het heldere daglicht zijn de belangrijke elementen in zijn werk; met subtiele gradaties van grijzen en okerkleuren slaagde hij er als geen ander in om licht en atmosfeer weer te geven hij had ook een uitstekend gevoel voor compositie, waardoor hij een belangrijk vernieuwer mag worden genoemd.[6] Hoe Fabritius tot zulk een opvallende stijlbreuk kwam, kan niet met zekerheid gezegd worden. Waarschijnlijk had de aantrekkingskracht van de stad Delft er veel mee te maken. Delft inspireerde ook andere getalenteerde schilders uit die tijd, zoals Gerard ter Borch, Jan Steen en Paulus Potter.

Fabritius herontdektBewerken

'Een niemendalletje, maar eersteklas', schreef de Franse kunstcriticus Théophile Thoré-Bürger toen hij in een grote opslagruimte van de Brusselse kunstverzamelaar J.J.G. Camberlyn Het puttertje had gezien van Fabritius - een distelvink op zijn voederkastje. Hij kreeg het schilderijtje in 1865 cadeau van de erfgenaam van Camberlyn als dank voor de inleiding die hij had geschreven voor een veilingcatalogus van de verzameling prenten en tekeningen van de overleden Camberlyn.
Thoré-Bürger was een vasthoudend man; hij was het die Johannes Vermeer uit de vergetelheid haalde door in 1866 in Parijs op een tentoonstelling elf aan Vermeer toegeschreven schilderijen te tonen; de herontdekking van Vermeer. Een jaar later presenteerde hij in Arti et Amicitiae in Amsterdam 'Het puttertje', wat toen Carel Vosmaer, de literator en een vriend van Thoré, deed zeggen dat hij er 'een superbe mooi geschilderd puttertje' had gezien. Het schilderijtje had daardoor een zekere reputatie gekregen, al voordat het - dertig jaar later - definitief terugkwam naar Nederland. Dat gebeurde door Abraham Bredius die het in 1896 aankocht voor het Mauritshuis, waarvan hij toen directeur was.[7]

Galerij van werkenBewerken

Lijst van werkenBewerken

  • De onthoofding van Johannes de Doper, (c. 1640-41)
  • De opwekking van Lazarus (1642; Museum Narodowe, Warschau)
  • Hagar en de Engel, (1643-45)
  • Zelfportret, (c. 1645)
  • Mercurius en Aglauros, (1645-47)
  • Portret van Abraham de Potter - zijdelakenkoopman, (1649) (Rijksmuseum, Amsterdam)
  • Saskia van Uylenburgh - vrouw van Rembrandt, (voor 1650)
  • Gezicht op Delft - met het stalletje van een muziekinstrumentenverkoper, (1652)
  • Het puttertje (1654); Mauritshuis, Den Haag (voor een artikel over de vogel, zie putter)
  • Jongeman met een baret van bont [zelfportret], 1654

In de literatuurBewerken

Deon Meyer schrijft over Carel Fabritius in zijn novelle De vrouw in de blauwe mantel (2017). The Goldfinch van Donna Tartt is gebaseerd op zijn gelijknamige schilderij 'Het Puttertje'.

Externe linksBewerken