Hoofdmenu openen

Het arrest CILFIT is een belangrijke uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 6 oktober 1982 (zaak C-283/81), inzake de verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag door een nationale rechter.

CILFIT
Datum 6 oktober 1982
Partijen CILFIT Srl en Lanificio di Gavardo SpA / Ministerie van Volksgezondheid;
Zaak   283/81
Instantie Europees Hof van Justitie
Rechters J.M.H.Ch. Mertens de Wilmars, G. Bosco, A. Touffait, O. Due, P. Pescatore, A.J. Mackenzie Stuart, A. O'Keeffe, T. Koopmans, U. Everling, A. Chloros, F. Grévisse
Adv.-gen. F. Capotorti[1]
Procedure prejudiciële vraag uit Italië
Procestaal Italiaans
Regelgeving   art. 177, derde alinea EEG-verdrag
Onderwerp   wanneer een prejudiciële vraag?
Vindplaats   Jur. 1982, p. 3417
AA 1983, p. 323
SEW 1983, p. 348, m.nt. R.H. Lauwaars
ECLI   ECLI:EU:C:1982:335

Casus en procesgangBewerken

Het geschil betreft de betaling van een vast recht voor sanitaire keuring van uit derde landen in Italië ingevoerde wol, door CILFIT en 54 andere vennootschappen. Zij wensen restitutie. Nadat hun vordering in twee instanties is afgewezen, gaan de betrokken vennootschappen in cassatie. Het Corte Suprema di Cassazione heeft het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing.

 

2. (...) Bedoelde vennootschappen beriepen zich op verordening nr. 827/68 van 28 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten voor bepaalde in bijlage II van het Verdrag vermelde produkten (PB L 151 van 1968, blz. 16). Ingevolge artikel 2, lid 2, van deze verordening is het de Lid-Staten verboden, heffingen van gelijke werking als douanerechten toe te passen op de „produkten van dierlijke oorsprong", niet elders genoemd, van post 05.15 van het gemeenschappelijk douanetarief.

Het Ministerie van Volksgezondheid bracht hiertegen in, dat wol niet in bijlage II van het Verdrag is vermeld en derhalve niet onder een gemeenschappelijke marktordening valt.

3. Het Ministerie van Volksgezondheid leidt hieruit af, dat de oplossing van de vraag betreffende de uitlegging van de handeling der gemeenschapsinstellingen zo evident is, dat van mogelijke twijfel omtrent de uitlegging geen sprake kan zijn en dat derhalve een prejudiciële verwijzing naar het Hof van Justitie niet vereist is.

Hiertegenover stellen de betrokken vennootschappen, dat nu een vraag betreffende de uitlegging van een verordening is opgeworpen voor de Corte Suprema di Cassazione – een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep –, deze zich ingevolge de derde alinea van artikel 267 VWEU niet mag onttrekken aan de verplichting zich tot het Hof van Justitie te wenden.

 

RechtsvraagBewerken

Zijn er grenzen aan de verplichting van artikel 267 VWEU om het Hof een prejudiciële vraag te stellen?

Uitspraak HofBewerken

dictumBewerken

 

Artikel 267 VWEU moet aldus worden uitgelegd, dat een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden is een vraag van gemeenschapsrecht die voor haar rijst, te verwijzen,[2]

  • tenzij zij heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is
  • of dat de betrokken gemeenschapsbepaling reeds door het Hof is uitgelegd
  • of dat de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan;

bij de vraag of zich een dergelijk geval voordoet, moet rekening worden gehouden met

  • de eigen kenmerken van het gemeenschapsrecht,
  • de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan
  • en het gevaar van uiteenlopende rechtspraak binnen de Gemeenschap.
 

uitlegging van gemeenschapsrechtBewerken

Omtrent uitlegging van gemeenschapsrecht overweegt het Hof:

 

18. Vooreerst moet in aanmerking worden genomen, dat de teksten van gemeenschapsrecht in verscheidene talen zijn opgesteld en dat de verschillende taalversies gelijkelijk authentiek zijn; de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht vereist dan ook een vergelijking van de verschillende taalversies.

19. Voorts zij opgemerkt dat, zelfs wanneer de taalversies volledig overeenstemmen, het gemeenschapsrecht een eigen terminologie bezigt. Bovendien hebben de rechtsbegrippen in het gemeenschapsrecht niet noodzakelijkerwijs dezelfde inhoud als in de verschillende nationale rechtsstelsels.

20. Ten slotte moet elke bepaling van gemeenschapsrecht in haar context worden geplaatst en worden uitgelegd in het licht van dit recht in zijn geheel, zijn doelstellingen en zijn ontwikkelingsstand op het ogenblik waarop de betrokken bepaling moet worden toegepast.