Hoofdmenu openen

Wikipedia β

Grassen, tweebloemig aartje & bloemdiagram:
Akelkkafjes; B: onderste kroonkafje; Ckafnaald; 1: bovenste kroonkafje; 2: lodiculae; 3meeldraden; 4stamper met 5stempel.

Een aartje is een gedeelte van een bloeiwijze met één of meer ongesteelde bloemen, die op een bloemas staan. Bij de grassen en cypergrassen zijn de aartjes een centraal en kenmerkend onderdeel van de bloeiwijze.

GrassenBewerken

Bij grassen zijn de aartjes in een aar, een aarpluim of een pluim gerangschikt. Een aartje bestaat uit:

De onderste twee blaadjes van een aartje heten de kelkkafjes (glumae). Die kunnen een aartje helemaal omsluiten. Wanneer de kelkkafjes het aartje niet omsluiten, staan de achtereenvolgende blaadjes van het aartje dakpansgewijs. Het volgende schubje aan de as van het aartje is het onderste kroonkafje of lemma. Het lemma bezit enige stevigheid, hoewel het heel dun is. Aan de top van het lemma, of vlak daaronder, treedt bij veel grassen een lange kafnaald uit. Deze kafnaald is de doorlopende middennerf van het lemma. Het volgende type blaadje is het bovenste kroonkafje of palea, dat vaak vliezig en slap is.

Daarna komen de eigenlijk bloemonderdelen: lodiculea, meeldraden en de stamper. De lodiculea zijn kleine schubjes die bij het begin van de bloei gaan zwellen en zo lemma en palea uit elkaar duwen. Hierdoor krijgen de meeldraden en de stamper ruimte om zich uiteen te gaan vouwen.