Aanslag in de rue Saint-Nicaise

De aanslag in de rue Saint-Nicaise, ook bekend als de Machine Infernale, was een moordaanslag op het leven van Napoleon Bonaparte in de avond van 24 december 1800 in Parijs.

Aanslag in de rue Saint-Nicaise
Ets van de aanslag
Plaats rue Saint-Nicaise, Parijs (Frankrijk)
Coördinaten 48° 52′ NB, 2° 20′ OL
Datum 24 december 1800
Doelwit Napoleon Bonaparte
Aanslagtype Autobom
Doden 4
Gewonden 60
Dader(s) Francois-Joseph Carbon
Joseph Picot de Limoëlan
Pierre Robinault de Saint-Régeant
Detailkaart
De route die de koets van Napoleon aflegde
De route die de koets van Napoleon aflegde

AanloopBewerken

Napoleon verkreeg bij de Staatsgreep van 18 Brumaire in 1799 de macht over Frankrijk als eerste consul. Sinds zijn aantreden waren er al diverse plannen uit diverse hoeken om een aanslag op zijn leven te plegen. In het voorjaar kwam er al een royalistisch plot aan het licht om hem te ontvoeren en minister Joseph Fouché wist de leiders hiervan op 4 mei te arresteren. Van de partijen van de jakobijnen en de royalisten beschouwde Napoleon deze eerste als de meest gevaarlijke vanwege hun aanwezigheid in het leger. In november werd er een nieuwe aanslag op Napoleon verijdeld, ditmaal georganiseerd door de jakobijnen. Napoleon hield zo veel mogelijk de aanslagen uit het nieuws, omdat deze alleen maar zijn imago als populaire held konden beschadigen.[1]

AanslagBewerken

Op 24 december 1800 (3 nivôse, jaar IX van de Franse republikeinse kalender) ging Napoleon samen met zijn vrouw Josephine de Beauharnais, stiefdochter Hortense de Beauharnais en zijn zuster Caroline Bonaparte naar de uitvoering van Die Schöpfung van Joseph Haydn in de Opéra. De koets van Napoleon werd verder begeleid door Jean Lannes, Charles François Lebrun en Jean-Baptiste Bessieres. Bij het naderen van het theater passeerde de koets van Napoleon in de rue Saint-Nicaise een stilstaande kar met een groot vat erop. Bij het passeren ontplofte dit vat dat gevuld was met buskruit. De ruiten van het rijtuig van Napoleon versplinterden. De koets met Hortense en Josephine werd heen en weer geslingerd door de klap en een van de paarden stierf door de ontploffing.[2]

Huizen in de nabije omgeving raakten zwaar beschadigd en vier omstanders kwamen om het leven. Nog eens zestig anderen liepen verwondingen op, waarvan er later nog een paar aan hun verwondingen zouden overlijden. De koets van Napoleon reed door naar de Opéra waar hij uitgelaten begroet werd door het publiek dat de ontploffing had gehoord.[3]

Onderzoek naar de dadersBewerken

Na afloop van de uitvoering in de Opéra beloofde Joseph Fouché de eerste consul dat hij binnen een week met bewijzen zou komen dat de aanslag was gepleegd uit royalistische hoek. Hierop liet hij het plaats delict onderzoeken en hier werden de hoefijzers van het paard van de kar gevonden. Een van de hoefijzers was vrij recent nog geslagen. Vervolgens werden de hoefsmeden van Parijs ondervraagd en een van hen herkende het ijzer en kon een beschrijving geven van de mannen die het paard bij hem hadden gebracht. Een van de mannen werd geïdentificeerd als Francois-Joseph Carbon en werd opgepakt. De aanslag was bedacht door twee royalistische officieren Pierre Robinault de Saint-Regent en Joseph Picot de Limoëlan. Zij waren naar Parijs gestuurd door Georges Cadoudal, die op zijn beurt op de loonlijst van de Britten stond.[2]

NasleepBewerken

Een aantal royalisten en jakobijnen werd gefusilleerd en een nog groter aantal werd gedeporteerd naar een strafkolonie in Cayenne (Guyana). Napoleon maakte van de aanslag gebruik om zich te ontdoen van een aantal actieve jakobijnen door hen te laten deporteren. In de publieke opinie was de aanslag op Napoleons leven ook gezien als een aanslag op de toekomst van het land. Napoleon kreeg dan ook veel sympathie als slachtoffer van de aanslag.[4]