Hoofdmenu openen

Zuiderbegraafplaats (Groningen)

begraafplaats in Groningen
Grafmonument van de familie Scholten

De Zuiderbegraafplaats in de Nederlandse stad Groningen werd in 1827, gelijktijdig met de Noorderbegraafplaats, in gebruik genomen. In 1826 was in Groningen een epidemie van de Groninger ziekte uitgebroken, die aan 2900 mensen het leven kostte. De bestaande begraafplaatsen raakten vol. Op advies van de Groningse hoogleraar Theodorus van Swinderen werden buiten de stadspoort van de vestingstad Groningen aan de noord- en de zuidkant twee nieuwe ruime begraafplaatsen aangelegd. Zij werden in 1827 in gebruik genomen. Het waren begraafplaatsen met kaarsrechte hoofdlanen en haaks daarop rechte zijpaden. Ze werden sober en doelmatig ingericht.

De begraafplaats werd op hooggelegen zandgrond, deel van de Hondsrug, aangelegd. De zandgrond garandeerde een ordentelijke en snelle ontbinding van de begraven lijken.

Er is geen sprake van de pracht en praal van Père-Lachaise of de latere Victoriaanse kerkhoven. Dat paste bij het karakter van de Groningers, die niet hielden van pronk en praal. Het enige grote grafmonument is dat van de rijke familie van W.A. Scholten. De hekken en het dienstgebouw zijn sober uitgevoerd en de beplanting, enige treurwilgen en beuken, is beperkt gehouden.

Het kerkhof werd door een standenmaatschappij in gebruik genomen. Er is dan ook een "Eerste Klasse Eerste Rij" waarop vooral edellieden zijn begraven.

Het centraal geplaatste en door zijn hoogte opvallende natuurstenen torenvormige grafmonument van de familie Scholten met daaronder een ruime grafkelder beslaat 27 grafplaatsen. De bouwheer, de industrieel Scholten wilde het groter, maar de 45 (sommige bronnen spreken zelfs van 55) plaatsen, die hij bij de bouw in 1882 in gedachten had, werden hem door het Gemeentebestuur niet toegestaan[1]. Het graf is een rijksmonument, evenals de bij de ingang van de begraafplaats gebouwde opzichterswoning.

Hier begravenBewerken

Externe linkBewerken