Hoofdmenu openen

Wouter Hutschenruijter (1859-1943)

1859-1943

Wouter Hutschenruijter (Rotterdam, 15 augustus 1859Den Haag, 24 november 1943) was een Nederlands musicus.

Wouter Hutschenruijter
Geboren 15 augustus 1859
Overleden 24 november 1943
Beroep(en) dirigent
Ensemble(s) Concertgebouworkest, Utrechts Symfonie Orkest
Portaal  Portaalicoon   Klassieke muziek

Hij was zoon van musicus Willem Jacob Hutschenruijter en Johanna Francisca Maassen Hij is kleinzoon van Wouter Hutschenruijter. Hijzelf huwde Marie Stronck, zuster van de Rotterdamse muziekprofessor Richard Stronck. Hij was sinds 1902 ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Hij werd begraven op de Hervormde begraafplaats te Wassenaar.

Zijn eerste muzieklessen kreeg hij van zijn vader en hij ging vervolgens studeren aan de Muziekschool van Rotterdam. Hij kreeg daarbij les van Cornelis van der Vliegh (solfège), Emanuel Wirth (viool), Cornelis van de Sandt (piano), Theodoor Verhey (harmonieleer) en Friedrich Gernsheim (contrapunt, compositie en piano). Hij was enige tijd alviolist bij Orkestvereniging Symphonia te Rotterdam. In 1879 trad hij aan als tweede kapelmeester bij het orkest van de schutterij van Rotterdam, zijn vader was daar eerste kapelmeester. Hij werd ook dirigent van de zangvereniging Euphonia en muziekonderwijzer aan de instelling waar hij zijn muziekonderwijs had gevolgd. In 1890 werd hij tweede dirigent van het Concertgebouworkest te Amsterdam onder eerste dirigent Willem Kes. Hutschenruijter zou meer dan vijftig keer voor het orkest staan, waaronder al een keer voor zijn aanstelling op 19 december 1889 in een uitvoering van zijn eigen pianoconcert met solist Henri Tibbe. In diezelfde stad werd hij docent aan de Muziekschool van Kes. Zijn verblijf in Amsterdam was van korte duur want in 1892 werd hij aangesteld als eerste dirigent van het Utrechts Stedelijk Orkest. Dat orkest werd onder zijn leiding naar een hoger niveau getild. Hutschenruijter schakelde voor het uit te voeren repertoire regelmatig hedendaagse Nederlandse componisten in. Het was ook hem te danken dat de eten en drinken uit de concertzaal van Tivoli werden verbannen en naar een aparte foyer verschoven. Naast de officiële concerten organiseerde hij ook volksconcerten om de klassieke muziek ook onder het “normale” volk te brengen. Het dirigentschap zorgde er wel voor dat zijn loopbaan als solopianist/violist langzaam tot stilstand kwam. Op 1 april 1905 vierde hij zijn 25-jarig jubileum als dirigent. In 1917 verliet hij Utrecht, Jan van Gilse werd zijn opvolger. Hij keerde terug naar zijn geboortestad, alwaar hij directeur werd van de voorloper van het Rotterdams Conservatorium. In 1925 moest hij met die werkzaamheden stoppen; hij had een oorziekte. Hij vertrok naar Den Haag en voorzag muziekbladen en kranten van kopij.

Van zijn verscheen ook een aantal werken, zoals

  • Drie klavierstukken (vierhandig, opus 1)
  • Drie klavierstukken (vierhandig, opus 2)
  • Sonate voor viool en piano in D majeur (opus 3)
  • Sonate voor cello en piano in C mineur (opus 4)
  • Pianoconcert in c mineur (opus 5, alleen in manuscript)
  • Grote feestmars en Es majeur voor militair orkest (opus 6)
  • Concertouverture voor orkest (opus 7) voor Collegium Musicum
  • Suite voor orkest (opus 8), uitgevoerd in Berlijn
  • Menuet en cavatine voor piano (tweehandig, opus 9)
  • Romance voor hoorn (opus 12)
  • Hoornconcert/Nocturne voor hoorn en orkest (opus 13)
  • Twee stukken voor piano (opus 14).


Van hem verschenen ook boekwerken over de muziekwereld:

  • over Wolfgang Amadeus Mozart (1905; vernieuwde uitgave 1927),
  • over Richard Strauss (vernieuwde uitgave 1929)
  • over Felix Weingartner
  • Orkest en orkestspel na 1600 (1903)
  • Het muziekleven in onzen bloeitijd (1910)
  • De geschiedenis der toonkunst (1919)
  • Geschiedenis van het orkest en van de muziekinstrumenten (1926)
  • De symfonieën van Beethoven geanalyseerd en toegelicht (1928)
  • over Frédéric Chopin (1926)
  • over Gustav Mahler (1927)
  • over Richard Wagner (1928)
  • over Johannes Brahms (1919)
  • De sonates van Beethoven toegelicht (1930)
  • Bloemlezing uit de brieven van Beethoven, Chopin en zijn leven, Werken van Schubert (Serie De Muziek)
  • Consonanten en dissonanten (memoires)

Zijn archief werd opgeslagen bij het Stadsarchief van Rotterdam en het Nederlands Muziekinstituut.