Vrijstad

Dit artikel gaat over de vrijstad in het oude Israël. Voor de Vrije rijksstad in het Heilige Roomse Rijk, zie Vrije rijksstad.

Een vrijstad, ook genoemd asielstad of vluchtstad, was een stad waarheen men in bijbelse tijden in Israël bij onschuld de wijk kon nemen en binnen de stad bescherming genoot en vrij was van vervolging.

Binnenkomst in een vrijstad. Getekend door Charles Foster, The Story of the Bible, 1884.

Onder de wet van Mozes werden zes vrijsteden aangewezen, drie aan elke zijde van de Jordaan. Zij werden gegeven aan de Levieten. De levitische vrijstad was geen 'gewone' stad, maar zij diende in de eerste plaats als woonplaats voor de Levieten, de dienaars van de priesters en de godsdienstige leraars van het volk.

In een vrijstad kon een ieder die een medemens per ongeluk gedood had, zijn toevlucht nemen. De oudsten van een vrijstad moesten oordelen of de dood per ongeluk was veroorzaakt. Zo ja, dan was het niet toegestaan om de dader te doden. De doodslager moest in de vrijstad blijven tot de dood van de hogepriester ‘die was gezalfd met de heilige olie,’ en dan kon hij terugkeren naar zijn bezitting.

De vrijsteden aan de westkant van de Jordaan waren (Jozua 20:7):

  • Kedes in Galiléa, op het gebergte van Nafthali;
  • Sichem, op het gebergte van Efraïm;
  • Hebron, op het gebergte van Juda.

En aan oostzijde van de Jordaan (Joz. 20:8):

  • Bezer in de woestijn, in het platte land, voor de stam van Ruben; Deut. 4:43.
  • Ramoth in Gilead, voor de stam van Gad; Deut. 4:43.
  • Golan in Bazan, voor de stam van Manasse; Deut. 4:43.