Beekparelmossel: verschil tussen versies

Verwijderde inhoud Toegevoegde inhoud
k opm.
k dp linkfix met AWB
Regel 28:
 
=== Schelpkenmerken ===
De schelp is langgerekt van vorm. De [[schelpterminologie (mollusken) #U|umbo]] ligt op ongeveer 1/3 van de voorzijde. Er is een lange [[schelpterminologie (mollusken) #S|slotband]] die meer dan de helft van het deel tussen umbo en achterzijde in beslag neemt. Het [[schelpterminologie (mollusken) #S|slot]] is goed ontwikkeld. De rechterklep heeft één [[schelpterminologie (mollusken) #C|cardinale tand]] die conisch en
driehoekig van vorm is en [[schelpterminologie (mollusken) #C|gecrenuleerd]] is en een rudimentaire lamelvormige [[schelpterminologie (mollusken) #L|laterale tand]]. De linkerklep heeft twee cardinale tanden met een conisch driehoekige vorm en een rudimentaire lamelvormige laterale tand die ook afwezig kan zijn.
 
De schelpen zijn dikschalig en bestaan vrijwel helemaal uit een parelmoerlaag. Er is een dik [[schelpterminologie (mollusken) #P|periostracum]] wat bij de umbo vaak verdwenen is. Hierdoor is de kalk van de schelp onbeschermd en vertoont daardoor heel vaak verschijnselen van oplossing. Het komt voor dat van dode dieren al vrij spoedig grote delen van de schelp zijn opgelost en dat bijn alleen het dikke periostracum nog overgebleven is.
 
=== Grootte van de schelp ===
* Lengte: tot ± 150  mm
* Hoogte: tot ± 60  mm.
 
=== Kleur van de schelp ===
Regel 47:
De beekparelmossel is een soort die tientallen jaren oud kan worden. De maximale ouderdom lijkt per [[populatie (biologie)|populatie]] te variëren en is waarschijnlijk van verschillende factoren afhankelijk. Hoogst waargenomen leeftijden liggen rond de 280 jaar.
In tegenstelling tot veel andere [[mollusk]]en zijn de dieren [[tweeslachtig]] (zijn dus óf mannelijk óf vrouwelijk) en worden pas bij ongeveer 10-15 jaar [[geslachtsrijp]]. De schelp is dan ongeveer 6,5 centimeter lang.
Tijdens de vroege zomer spuiten mannelijke dieren [[sperma]]cellen in het water die door de vrouwelijke dieren via de sifonen worden binnengezogen. Na [[bevruchting]] worden de eieren enkele weken in een broedzakje gehouden tussen de kieuwen waar zich een larvaal stadium ontwikkeld. In de nazomer heeft zich daar een kleine larve met een zeer dunne schelp uit ontwikkeld. Dit stadium wordt het [[schelpterminologie (mollusken) #G|glochidium]] genoemd. Dit glochidium is 0,6–0,7 millimeter groot, heeft een ongeveer ovale vorm en is aan voorzien van een soort weerhaakjes. Beide schelphelften zijn niet gesloten en staan wijd open. Als de glochidiums volgroeid zijn worden zij door het vrouwelijke ouderdier met kracht het water in gespoten. Het moederdier spuit haar glochidiums in een aantal keren naar buiten. Per keer zijn dat tussen de 1 - 4 miljoen glochidiums. In de populatie doen andere vrouwelijke geslachtsrijpe dieren dat min of meer op hetzelfde moment, vaak tot 60% van de vrouwelijke dieren. Waarschijnlijk geeft een bepaalde watertemperatuur het startsein maar dat is niet bekend. Bijna alle glochidiums sterven, slechts enkele vinden een geschikte [[gastheer (biologie)|gastheer]] die zij voor ontwikkeling tot mossel nodig hebben. Levensvatbare glochidiums die nog geen gastheer gevonden hadden zijn nog waargenomen tot vijf dagen nadat ze het moederdier verlieten. Als gastheren fungeren alleen zalm en forel, andere soorten (zoals ook [[regenboogforel]]) kunnen niet als zodanig optreden. Een glochidium moet ingeademd worden door één van beide vissoorten. Doordat de schelpen van het glochidium dichtklappen kunnen zij zich met behulp van de weerhaakjes tussen de kieuwen van de vis nestelen waar ze worden ingekapseld. De glochidiums ontwikkelen zich verder in deze zeer zuurstofrijke omgeving en blijven daar tot het begin van de volgende zomer. Als de jonge mosseltjes de vis verlaten moeten zij in een geschikte omgeving terechtkomen om te overleven: schoon, oligotroof, helder, zuurstofrijk water en een schone zandige of grindige bodem.
 
De vissen schijnen geen nadelige gevolgen van de mini of meer [[parasiet|parasitaire]] leefwijze van de glochidiums te hebben.
Regel 69:
De beekparelmossel staat op de Rode Lijst van de [[International Union for Conservation of Nature and Natural Resources|IUCN]] als "bedreigd".<ref name="IUCN"/>
 
De soort is overal in zijn verspreidingsgebied zeer sterk bedreigd. Er is in veel gebieden een teruggang gemeld van 95-100%. In grote gebieden is zij reeds uitgestorven. Grote populaties worden nog maar in minder dan 50 rivieren gevonden verspreid over [[Canada]], [[Scandinavië]], [[Rusland]] met nog enkele kleinere populaties in [[Beieren]], [[Tsjechië]], [[Oostenrijk]] en [[Groot-Brittannië (eiland)|Groot-Brittannië]]. Omdat de dieren zo oud worden kunnen populaties nog tamelijk lang bestaan ook als er door welke oorzaak dan ook geen nakomelingen meer komen.
De achteruitgang komt vooral door waterverontreiniging die totaal niet verdragen wordt. In veel gebieden zijn zelfs de bovenlopen van bergbeken al vervuild. Een andere belangrijke oorzaak is de achteruitgang van de vissoorten (die deels eveneens een gevolg van de waterverontreiniging is) waarvan de beekparelmossel voor de voortplanting van afhankelijk is. Andere oorzaken zijn onder andere roofbouw in de parelvisserij, afdammingen, visserij op de gastheersoorten en de opkomst van de [[bisamrat]] die als [[predator]] optreedt. De ingewikkelde en veeleisende levenscyclus van de beekparelmossel draagt sterk bij aan de gevoeligheid voor uitsterven van populaties.
 
Regel 76:
 
== Zie ook ==
* [[Lijst van Mollusca #M|Lijst van Mollusca]]
* [[Lijst van zoetwatermollusken in Nederland en België]]
* [[Schelpterminologie (mollusken)|Termen in gebruik bij de beschrijving van schelpen]]