Hoofdmenu openen

De Slag bij Marquain was een veldslag tussen Oostenrijk en Frankrijk aan het begin van de Eerste Coalitieoorlog. Hij vond plaats op 29 april 1792 bij Marquain in de Oostenrijkse Nederlanden in de buurt van de Franse grens en eindigde in een Oostenrijkse overwinning.

Slag bij Marquain
Onderdeel van de Eerste Coalitieoorlog
Datum 29 april 1792
Locatie Marquain, Henegouwen, Oostenrijkse Nederlanden
Resultaat Oostenrijkse overwinning
Strijdende partijen
Flag of France.svg Frankrijk Flag of the Habsburg Monarchy.svg Oostenrijk
Leiders en commandanten
Théobald Dillon † Louis-François de Civalart
Troepensterkte
ca. 3000 à 4500
6 kanonnen
3000
enkele kanonnen

AchtergrondBewerken

Op 20 april 1792 had koning Lodewijk XVI van Frankrijk de Wetgevende Vergadering gevraagd om Oostenrijk de oorlog te verklaren, waar de Vergadering mee instemde.[1]

Tijdens Armand-Louis de Gontaut Birons pogingen om Quiévrain en Bergen in te nemen, maakte maarschalk Théobald Dillon een schijnbeweging richting Doornik. Na Lille te hebben verlaten met 10 eskadrons, 6 bataljons en 6 kanonnen, kwam hij de Oostenrijkse major-generaal Louis-François de Civalart (graaf van Happoncourt) tegen die met 3000 man op het hoogland boven Marquain gelegerd was.[2] Oostenrijkse tirailleurs vielen de Franse voorhoede zo heftig aan, dat de Fransen beseften dat Civalart wilde aansturen op een open veldslag, terwijl Dillon instructies had om een dergelijk gevecht te voorkomen.

VerloopBewerken

Toen hij zag dat de vijand naar beneden kwam om hem te treffen en omdat hij onzeker was over zijn eigen troepen (die regelmatig ongehoorzaam waren geweest tijdens de mars vanuit Lille), volgde Dillon zijn opdracht op en beval de aftocht.[2] Zodra ze de Franse terugtrekking bemerkten, vuurden de Oostenrijkers hun kanonnen meerdere keren, hoewel ze buiten bereik waren en geen van hun schoten überhaupt Dillons achterhoede haalde. Ondanks de vrees van de Franse troepen voor hun eigen generaals, raakten de cavalerie-eskadrons die de aftocht dekten in paniek, net als bij Quiévrain. Zodra ze de kanonnen hoorden, haastten ze zich dwars door hun eigen infanterie heen en riepen: "Sauve qui peut, nous sommes trahis!".[noot 1] Dit veroorzaakte verwarring in de Franse rangen, die in wanorde vluchtten via Baisieux naar Lille met achterlating van goederen, munitie en alle kanonnen behalve 2. Dillon trachtte vergeefs zijn terugtrekkende troepen weer in het gareel te krijgen voordat de vijand kon aanvallen en werd door een van zijn eigen soldaten beschoten.

Het leger hergroepeerde aan de poorten van Fives, waar een mengeling aan soldaten van verschillende regimenten een garnizoen vormden.[2] De gewonde Dillon werd neergeschoten in een wagen en met bayonetten doodgestoken. Zijn lijk werd aan de wagen gebonden en door de straten gesleept tot aan het Grand Place, waar het op een vuur werd gegooid.[2] Dillons neef Arthur Dillon (1750–1794) klaagde bij de Wetgevende Vergadering. Dillons moordenaars werden gestraft en zijn weduwe werd een pensioen gegeven om haar kinderen groot te brengen.[2]