Sheol (Hebreeuws: שְׁאוֹל) is de uitdrukking in de Hebreeuwse Bijbel die het dodenrijk aanduidde. In Nederlandse vertalingen wordt Sheol vertaald met "graf".

Ontstaan van het conceptBewerken

In de Hebreeuwse Bijbel is de oudste verwijzing naar een dodenrijk de opvatting dat de overledene aan het einde van zijn leven "met zijn voorvaders verenigd werd"[1] en in het dodenrijk Sheol afdaalde.[2] Net als in omringende landen kende het oude Judaïsme de opvatting dat de doden een schaduwbestaan hadden in het dodenrijk, het land van stof,[3] het rijk van duisternis[4] en vergetelheid.[5] Dit dodenbestaan werd door een verminderde vorm van leven gekenmerkt door krachteloosheid, bewusteloosheid, zwakte[6] en onwetendheid.[7]

Bepaalde tradities kenden een verbinding tussen de wereld van de levenden en het dodenrijk Sheol, zoals het verhaal waarin Saul de overleden profeet Samuel raadpleegde bij de heks van Endor.[8] In de officiële religie was er echter een strenge scheiding tussen JHWH, de god van de levenden,[9] en de doden. Het dodenrijk lag buiten de macht van God en de doden aanbaden God niet.[10] Maar er zijn vondsten gedaan uit de 8e eeuw, zoals de grafinscriptie Chirbet el-Qōm en zilveren rolletjes met de Aäronische zegen in een graf van Ketef Hinnom, waarin het rijk van JHWH werd uitgebreid en hij de beschermgod werd van een dode man.

OpstandingBewerken

In de Hebreeuwse Bijbel wordt niet veel aandacht besteed aan een opstanding en een laatste oordeel, al wordt aan JHWH wel de macht toegeschreven iemand uit Sheol te leiden.[11]