Hoofdmenu openen

Seerp Gratama (1858-1923)

Nederlands rechtsgeleerde en -historicus
Zie artikel Voor de gelijknamige hoogleraar aan de Universiteit van Groningen, zie Seerp Gratama (1757-1837)
S. Gratama

Seerp Gratama, (Groningen, 14 december 1858’s-Gravenhage, 22 mei 1923), rechtshistoricus; rijksarchivaris van Drenthe (1887), rechter te Rotterdam (1896), raadsheer in de Hoge Raad (1904) en vicepresident van de Hoge Raad (1918).

Zoon van Bernard Jan Gratama, hoogleraar strafrecht en strafvordering te Groningen, en jkvr. Everdina Johanna de Jonge. Hij doorliep het gymnasium te Groningen, waarna hij in dezelfde stad rechten studeerde en er in 1883 cum laude promoveerde op het proefschrift ‘Een bijdrage tot de rechtsgeschiedenis van Drenthe, meer bijzonder de rechters en de rechtspleging betreffende’. Vervolgens studeerde hij enige tijd in Straatsburg, maar vestigde zich later als advocaat in zijn geboortestad en werd er privaatdocent. Maakte een uitvoerige, overwegend rechtshistorische, studie over art. 2014b BW en publiceerde hierover.

Hij huwde op 26-10-1887 met Elizabeth Johanna Warmoldina Gelderman. Zij hadden 3 kinderen; 2 zoons en 1 dochter.

In 1907 aanvaardde hij, samen met twee hoofdambtenaren aan de departementen van Binnenlandse Zaken en Justitie, de opdracht een wetsontwerp voor te bereiden 'tot vaststelling van regelen betrekkelijk den rechtstoestand der vanouds genaamde "gemeene heiden en weiden van Gooiland"', welk ontwerp door de Regering ongewijzigd werd overgenomen (1909). Het ontwerp dat Gratama, namens het kabinet, in de Staten-Generaal verdedigde leidde in 1912 tot de Erfgooiers-wet, waarmee een eind werd gemaakt de geschillen en onlusten in het Gooiland.

Werd in 1907 lid, en later voorzitter, van een commissie voor het ontwerpen van een nieuwe burgerlijke procedure (ingesteld door de Nederlandse Juristen Vereniging), waarop in 1911 de Staatscommissie-Gratama werd ingesteld, die moest komen tot een ‘voorbereiding van de herziening van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering’. De commissie bracht in 1920 een advies uit voor een geheel vernieuwd wetboek, maar het ontwerp is nimmer tot wet gemaakt.

Naast zijn beroepsmatige werkzaamheden vervulde Gratama, als bestuurder of commissie-lid, tal van nevenfuncties op maatschappelijk en kerkelijk terrein. Te noemen zijn: Nederlandsche Juristenvereniging; Algemeene Synodale Commissie van de Waalse gemeente (1908); Pro Juventute (sedert 1904); Rijkscommissie voor Monumentenzorg (1918).

Publicaties (selectie)Bewerken

  • 1884 Eene opmerking naar aanleiding van art. 2014b B.W.; Rechtsgeleerd magazijn, III, 421
  • 1889 Eene beklemrechterlijke questie; Rechtsgeleerd magazijn, VIII, 97
  • 1900 (Karl Hegel). Die Entstehung des deutschen Städtewesens, in: Museum. Maandsblad voor Philologie en Geschiedenis 8 (1900), 221–225.
  • 1894/5 Wijziging art. 103, 2e lid der Gemeentewet; Nederlandsch Archievenblad, 81
  • 1895 Het beklemrecht in zijne geschiedkundige ontwikkeling
  • 1905/6 Erfgooiersrechten; Handd. Letterk., 106
  • 1914 De art. 331-337 over ‘het bewijs’ in het ontworpen Wetboek van Strafvordering; Weekblad van het Recht. No. 9654, 4. 9675, 3
  • 1916 Enkele opmerkingen over uitbreiding van het rechtsmiddel der Cassatie in burgerlijke Zaken; Weekblad v.h. Recht. No. 10000, 9.
  • 1918/9 De Archiefwet 1918; Nederlandsch Archievenblad, jaargang 27, 23-42.

BronnenBewerken

  • Jaarboek van de Maatschappij de Nederlandse Letterkunde (1926)
  • Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (ING)

Externe linkBewerken