Samenstelling Eerste Kamer 1850-1853

Wikimedia-lijst

De samenstelling van de Eerste Kamer der Staten-Generaal 1850-1853 biedt een overzicht van de Eerste Kamerleden in de periode tussen de verkiezingen van 1850 en de verkiezingen van 1853. De zittingsperiode ging in op 7 oktober 1850 en liep af op 18 september 1853.

Er waren toen 39 Eerste Kamerleden, verkozen door de Provinciale Staten van de 11 provincies die Nederland toen telde. Eerste Kamerleden werden verkozen voor een termijn van negen jaar, om de drie jaar werd een derde van de Eerste Kamer hernieuwd.

Gekozen bij de Eerste Kamerverkiezingen van 1850Bewerken

Gematigde liberalen (18 zetels)Bewerken

Conservatieven (11 zetels)Bewerken

Liberalen (7 zetels)Bewerken

Conservatief-Protestants (3 zetels)Bewerken

Tussentijdse mutatiesBewerken

1851Bewerken

  • 6 maart: Willem Maurits de Brauw (conservatief-protestants) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot rechter bij de Arrondissementsrechtbank in 's-Gravenhage. Nadat de Brauw herkozen werd door de Provinciale Staten van Zuid-Holland, werd hij op 24 april dat jaar opnieuw geïnstalleerd.
  • 11 april: Wyncko Johannes Tonckens (conservatieven) nam ontslag vanwege zijn herbenoeming tot kantonrechter in Meppel. Nadat Tonckens herkozen werd door de Provinciale Staten van Drenthe, werd hij op 10 juni opnieuw geïnstalleerd.
  • 5 juli: Johannes Wilhelmus Henricus Bosch (gematigde liberalen) overleed. De Provinciale Staten van Utrecht kozen Johan Daniël Cornelis Carel Willem d'Ablaing van Giessenburg (conservatieven) als zijn opvolger, hij werd op 14 augustus 1851 geïnstalleerd.

1852Bewerken

1853Bewerken