Hoofdmenu openen
Illustratie van het domino-effect van de Arabische protesten in 2010-2011: het Tunesische regime is reeds gevallen, de Egyptische president Moebarak is de volgende

Een revolutiegolf is een reeks van revoluties die tegelijkertijd in verschillende gebieden plaatsvinden. Vaak is daarbij sprake van één eerste revolutie, waarna door een domino-effect op andere plekken omwentelingen met vergelijkbare doelen volgen. Dit wordt veroorzaakt door vergelijkbare maatschappelijke onrust of onvrede en/of het wortel schieten van dezelfde denkbeelden in deze landen, waarbij de ene revolutie de andere inspireert.

De revolutiegolf heeft een belangrijke positie binnen het communistische gedachtegoed in de vorm van de wereldrevolutie, waarbij overal ter wereld het proletariaat de macht overneemt. De term kan echter ook simpelweg slaan op een groot aantal revoluties dat in een kort tijdsbestek plaatsvindt, ongeacht doel en uitkomst daarvan.

Voorbeelden zijn:

  • De liberale revolutie in de 18e eeuw: in een groot aantal landen in Europa en Amerika kwamen bevolkingen in opstand tegen hun overheersers en voor meer vrijheid. Zo waren er de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1776), de Latijns-Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlogen, de Franse Revolutie (1789) en de Bataafse Opstand (1795). In tal van andere landen was onrust.
  • De revolutiegolf van 1820, waaronder de Griekse opstand en de Decabristenopstand.
  • De revolutiegolf van 1830, waaronder de Belgische Revolutie en de Poolse Opstand in Rusland.
  • Het revolutiejaar 1848: in navolging van de Franse Februarirevolutie vonden in heel Europa protesten en revoluties plaats. Hoewel de kortetermijneffecten beperkt waren, hadden de ontwikkelingen een grote invloed op de verdere Europese geschiedenis.
  • Het decennium 1860-1870, waaronder de Italiaanse Eenwording, de Duitse Eenwording, de Amerikaanse Burgeroorlog en de Taiping-opstand in China.
  • De Grote Oosterse Crisis, een golf van instabiliteit in het Ottomaanse Rijk in 1875-76.
  • De revolutiegolf van 1905-1911, waaronder de Argentijnse Revolutie, de Perzische Constitutionele Revolutie, de Russische Revolutie van 1905, de Xinhai-revolutie, de Mexicaanse Revolutie, de revolutie van de Jonge Turken en de revolutie van 1910 in Portugal. Nationalisme, vernieuwing, constitutionalisme en republikanisme daagden hier de oude autocratische monarchieën uit.
  • De revolutiegolf van 1917-1923, veroorzaakt door de maatschappelijke ontwrichting veroorzaakt door de Eerste Wereldoorlog, waarvan de Russische Revolutie en de omverwerping van de Duitse, Oostenrijkse en Ottomaanse monarchieën de belangrijkste waren.
  • De fascistische revolutiegolf van 1922-1939, waarbij in verscheidene landen rechts-autocratische regeringen aan de macht kwamen, onder andere in Italië (1922), Duitsland (1933), Japan (1931), Spanje (1939) en verscheidene andere landen in Europa, Zuid-Amerika en Azië. Dit kan gezien worden als een tegenreactie op de eerdere, voornamelijk linkse revolutiegolf.
  • De door de Tweede Wereldoorlog veroorzaakte revolutiegolf, waarbij gesteund door de Sovjet-Unie in verschillende landen (Oost-Europa, China), communistische regeringen aan de macht kwamen.
  • De Amerikanen waren tijdens de Koude Oorlog bang dat het communisme zich over heel Zuidoost-Azië zou uitbreiden, waarbij het ene land zou vallen na het andere als waren het dominostenen. Die dominotheorie was een belangrijke aanleiding tot de Vietnamoorlog. Toen de Amerikanen zich terugtrokken werden inderdaad Zuid-Vietnam, Laos en Cambodja vrij snel overgenomen door communistische regeringen.
  • De dekolonisatie kan worden gezien als een revolutiegolf; overal kwamen revolutionaire bewegingen op en de oude koloniale rijken brokkelden in een enkele generatie af.
  • Het Midden-Oosten beleefde in 1958 een golf van Arabisch nationalisme, die werd veroorzaakt door de Egyptische president Gamal Abdel Nasser met zijn stichting van de Verenigde Arabische Republiek. Op 14 juli werd het Iraakse koningshuis uitgemoord, de volgende dag gingen Amerikaanse mariniers aan land in Libanon, waar een burgeroorlog dreigde tussen moslims en christenen. En op 17 juli landden Britse paratroepen bij Amman om de jonge koning Hoessein van Jordanië in het zadel te houden.
  • De protesten van 1968;
  • Een religieus-fundamentalistische revolutiegolf waaronder de Iraanse Revolutie in 1979, de stichting van Hamas in 1987, een grotere invloed van de geestelijkheid in Saoedi-Arabië, en een toenemende fundamentalistische invloed in Afghanistan culminerend in de overname door de Taliban in 1996. Men kan dit proces ook zien als een sjiitische revolutie in Iran gevolgd door een soennitische reactie.
  • De revoluties van 1989: grootschalige, vaak vreedzame protesten leidden tot grote omwentelingen in het communistische Oost-Europa en daarbuiten. Dit werd veroorzaakt door het intrekken van de steun door de Sovjet-Unie aan zijn satellietstaten. Niet overal waren de opstanden succesvol, zo werden de volksprotesten in China hardhandig de kop ingedrukt. Door het wegvallen van het Sovjetblok trokken de VS ook hun steun aan verschillende regimes in waardoor deze eveneens begonnen te wankelen: de bekendste voorbeelden waren de val van de Apartheid in Zuid-Afrika in 1994, het omverwerpen van de regering van Mobutu in Zaïre in 1997, en de EDSA-revolutie in 1986 die als geweldloze revolutie een voorbeeldfunctie vervolgde voor de revoluties in Oost-Europa.
  • De Arabische revolutiegolf van 2010-2018: vanuit Tunesië verspreidde zich in korte tijd een revolutiegolf over landen in de Arabische wereld. Corruptie, werkloosheid en gebrek aan voedsel zijn belangrijke thema's bij deze protesten, die verschillende regimes dwongen tot aftreden of grote hervormingen.
Bewerk Deze lijst is (mogelijk) incompleet. U wordt uitgenodigd op bewerken te klikken om de lijst uit te breiden.