Hoofdmenu openen

De revolutie van Loppem of de staatsgreep van Loppem (Frans "le coup de Loppem") verwijst naar de totstandkoming van de eerste naoorlogse Belgische regering-Delacroix I op 21 november 1918 na gesprekken in het West-Vlaamse Loppem tussen koning Albert I en vooraanstaande politici die tijdens de oorlog in België waren gebleven. De regering van Gérard Cooreman had enkele dagen eerder haar ontslag aangeboden. Dat kabinet bestond uit ministers die het grootste deel van de oorlog nabij Le Havre in Frankrijk verbleven. De regering wordt aangesteld in het kasteel van Loppem, waar koning Albert met zijn gezin een tijdelijk onderkomen had. Het was duidelijk dat er snel een regering moet komen die representatief is voor het België dat de bezetting heeft meegemaakt en die belangrijke hervormingen kan doorvoeren met de dreiging van revoluties zoals in Rusland in 1917 en de recente november revolutie in Duitsland (9 november 1918). De nieuwe regering werd gevormd door katholieken, socialisten en liberalen en er werden erg weinig politici bij betrokken die tijdens de oorlog de regering in ballingschap hadden gevormd, onder meer omdat aangenomen werd dat zij geen voeling meer hadden met de bevolking.

De regering van nationale eenheid, geleid door Léon Delacroix, een succesvol Brussels advocaat van katholieke strekking ging snel verregaande hervormingen doorvoeren. Voor het eerste werd de titel "Eerste Minister" gebruikt die in de Belgische Grondwet opgenomen werd in 1970, met de eerste staatshervorming.

De socialisten hebben een aantal verregaande hervormingen geëist, die voor de oorlog nog heel omstreden waren. Onder meer de volgende wetten werden uitgevoerd:

  • Invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen vanaf 21 jaar (dit laatste is een verlaging van 25 naar 21 jaar). Het systeem van “meervoudig stemrecht”, waarbij sommige kiezers twee of drie stemmen mochten uitbrengen, verdwijnt, al ligt dat systeem als zodanig vast in de grondwet. De regering wil echter dat het enkelvoudig stemrecht al voor de eerstvolgende parlementsverkiezingen geldt, nog voordat de grondwet gewijzigd kan worden.
  • Straffen stellen op het misbruik van het stakingsrecht schrappen uit het Strafwetboek. De socialisten zagen daar een beperking van de vakbondsvrijheid in.
  • Waarborgen van syndicale gelijkheid
  • Gelijkheid van de twee landstalen (Frans en Nederlands), het recht van de Vlamingen op hoger onderwijs in hun eigen taal en oprichting van de universiteit in Gent

Bij de vorming van de regering van Loppem werden de conservatieve katholieken, die tegenstander waren van de hervormingen, door koning Albert vrijwel buitenspel gezet. Hun bekendste leider, de oude staatsman Charles Woeste, werd niet eens door de koning ontvangen. Deze conservatieve critici vonden deze beslissingen zo revolutionair alsmede het reeds invoeren van het enkelvoudig stemrecht voordat de grondwet was gewijzigd dat ze spraken over de revolutie van Loppem alsook de regering van Loppem.

De eerstvolgende verkiezingen, met de nieuwe kieswet dus, waren die van 1919. Na de verkiezingen bleek de vooroorlogse absolute meerderheid van de katholieken gebroken. De katholieke en socialistische blokken zijn bijna even groot. In de Senaat lagen de kaarten overigens anders. Hoewel ook hier het algemeen enkelvoudig stemrecht gold, waren de (fiscale) voorwaarden om verkozen te kunnen worden nog niet aangepast waardoor de Katholieke Partij uiteindelijk nog steeds een absolute meerderheid in de Senaat had.