Hoofdmenu openen

Een regent van België is staatshoofd in België, met alle grondwettelijke rechten die aan een koning zijn toegekend, zoals de benoeming van ministers, het opperbevel van het leger en het ontvangen van geloofsbrieven van ambassadeurs. Ook wetten afkondigen en wetten uitvoeren in Regentsbesluiten behoren tot de bevoegdheden van de regent. Wat niet kan gebeuren tijdens een regentschap in België, is een wijziging van de Grondwet.

Een regent bestuurt het koninkrijk België in drie situaties volgens de Belgische Grondwet: 1° bij minderjarigheid van de koning; 2° de onmogelijkheid van de koning om te regeren (bijvoorbeeld ziekte, dementie...); 3° afwezigheid van een vorst of de zogenaamde lege troon. Het regentschap wordt beëindigd, theoretisch alvast, als volgt:

  • in de 1e situatie doordat de koning meerderjarig wordt en de grondwettelijke eed aflegt
  • in de 2e situatie wanneer de onmogelijkheid te regeren van de zittende koning vervalt
  • in de 3e situatie wanneer dankzij een keuze van het parlement een nieuwe koning de vacante troon bestijgt

De onmogelijkheid te regeren kwam in het verleden driemaal voor. In 1831 kwam de hertog van Nemours, nochtans tot koning verkozen door het Belgisch parlement, niet afgereisd naar Brussel wegens zware tegenkanting van de Britse regering. Voor de situatie in 1944 en later, zie het uitgebreide hoofdstuk van de Koningskwestie.

België kende de volgende regentschappen:

  1. 24 februari 1831 - 21 juli 1831: baron-regent Surlet de Chokier. Merkwaardig had de baron-regent geen wetgevende bevoegdheid[1]; hij kon dus geen wetten afkondigen. Een parlementair decreet van 24 februari 1831 verhinderde hem dat.
  2. 21 september 1944 - 20 juli 1950: prins-regent Karel van Vlaanderen. De prins-regent had alle bevoegdheden van een Belgisch staatshoofd. Zijn regentschap werd beëindigd door het parlement omdat koning Leopold III terugkeerde en een einde kwam aan de onmogelijkheid van Leopold om te regeren.
  3. 11 augustus 1950 - 17 juli 1951: prins-regent Boudewijn die bovendien de titel droeg van koninklijke prins. Deze titel staat niet in de grondwet. Een parlementair decreet van 10 augustus 1950 gaf alle bevoegdheden van koning Leopold III tijdelijk aan zijn zoon, omwille van geweld dat uitgebroken was bij de terugkeer van Leopold in België.

De Belgische Grondwet kent 4 artikelen die handelen over de Regent (art 92-95)

Art. 92 Indien, bij overlijden van de Koning, zijn opvolger minderjarig is, komen beide Kamers in verenigde vergadering bijeen, ten einde in het regentschap en in de voogdij te voorzien.
Art. 93 Indien de Koning in de onmogelijkheid verkeert te regeren, roepen de ministers, na deze onmogelijkheid te hebben laten vaststellen, de Kamers dadelijk bijeen. Door de verenigde Kamers wordt in de voogdij en in het regentschap voorzien.
Art. 94 Het regentschap mag slechts aan één persoon worden opgedragen. De Regent treedt eerst in functie nadat hij de bij artikel 91 voorgeschreven eed heeft afgelegd.
Art. 95 Ingeval de troon onbezet is, voorzien de Kamers, samen beraadslagend, voorlopig in het regentschap totdat de geheel vernieuwde Kamers bijeenkomen; deze bijeenkomst heeft plaats uiterlijk binnen twee maanden. De nieuwe Kamers, samen beraadslagend, voorzien voorgoed in het bezetten van de troon.

Zie verderBewerken