Publius Petronius (Syria)

Syria

Publius Petronius (* ~24 v.Chr. - † ~46 n.Chr.) was een Romeins politicus onder de eerste vier keizers van Rome. Hij is vooral bekend geworden vanwege de (matigende) rol die hij speelde in het conflict tussen keizer Caligula en de Joden in Judea in de periode dat hij gouverneur was in Syria.

Afkomst en familie[1]Bewerken

Hij was de zoon van Publius Petronius Turpilianus, die als eerste uit de familie van de Petronii de senatoriale status had verkregen. Vermoedelijk was hij de oudere broer van Gaius Petronius, die in 25 na Chr. consul suffectus was.

Petronius was gehuwd met Plautia (de dochter van Aulus Plautius) en was vermoedelijk de vader van:

Vroege carrièreBewerken

Uit een in Rome gevonden inscriptie[3] blijkt dat Petronius in 7 na Chr. werd opgenomen in het college van augures, de priesters die voortekenen moesten interpreteren. Deze functie ging gepaard met hoog maatschappelijk aanzien.

Het hoge aanzien van Petronius blijkt ook uit het feit dat hij in 19 na Chr. werd aangesteld als consul suffectus naast Marcus Iunius Silanus Torquatus. In die hoedanigheid vaardigde hij wetgeving uit (de lex Iunia Petronia) die de situatie van slaven beoogde te verbeteren. De wet stelde dat wanneer de stemmen staakten over de vraag of iemand een slaaf was of niet, de persoon in kwestie als vrij burger moest worden beschouwd.

AsiaBewerken

In 29 benoemde Tiberius Petronius als proconsul van Asia, een ambt dat hij tot 35 zou bekleden, zoals blijkt uit verschillende inscripties en munten die ter plaatse gevonden zijn.[4] Eind 35 of begin 36 werd Petronius teruggeroepen naar Rome, waar hij samen met de vier echtgenoten van de kleindochters van de keizer deel uitmaakte van het college dat na de brand die dat jaar in Rome had gewoed de schade moest taxeren,[5] onder andere de schade aan het huis van (de latere keizer) Claudius, dat op staatskosten werd hersteld.[6]

SyriaBewerken

In 39 n.Chr. benoemde Caligula (die in 37 Tiberius als keizer was opgevolgd) Petronius als legatus Augusti pro praetore in Syria, als opvolger van Lucius Vitellius. Petronius bleef dit ambt tot 42 vervullen. Petronius moest in deze periode ernstige problemen in Judea het hoofd bieden, waarbij hij zich mild ten opzichte van de Joden betoonde,[7] hoewel dit hemzelf - als we tenminste uitgaan van wat Flavius Josephus erover zegt - bijna het leven kostte. De gebeurtenissen uit deze jaren zijn zowel opgetekend door Flavius Josephus als door Philo van Alexandrië.[8]

Onlusten in JudeaBewerken

In het najaar van 39 v.Chr. had zich in Jabne in Judea een incident voorgedaan, waarbij Joden een door Grieken gebouwd en aan de keizer gewijd altaar hadden neergehaald, omdat zij dit zagen als een uiting van blasfemie.[9] Caligula reageerde daarop met het bevel dat in de tempel in Jeruzalem een beeld van Caligula - of mogelijk een beeld van Zeus met de trekken van Caligula[10] -, zou worden geplaatst. Aangezien Petronius als legatus van Syria over legioenen beschikte (namelijk III Gallica, VI Ferrata, X Fretensis en XII Fulminata) werd hij, en niet Marullus, de praefectus over Judea, die bovendien nog relatief jong en onervaren was,[11] met de uitvoering van dit bevel belast.[12]

Hoewel Flavius Josephus stelt dat Petronius zich haastte de opdracht van de keizer op voortvarende wijze uit te voeren,[13] en Petronius inderdaad aan Fenicische kunstenaars in Sidon de opdracht gaf het beeld te vervaardigen,[14] is het aannemelijker dat we van het voorzichtiger, meer diplomatieke beeld dat Philo van Petronius schetst[15] moeten uitgaan.[16] Vermoedelijk was Petronius zich bewust van de gevoeligheden die het plaatsen van een beeld in de tempel in Jeruzalem voor de monotheïstische joden met zich mee zou brengen. Volgens Philo belegde hij daarom een ontmoeting in Antiochië met Joodse leiders (waarbij we in elk geval aan vertegenwoordigers van de hogepriester Theophilus ben Ananus zullen moeten denken). Vermoedelijk hoopte hij dat zij de Judeese bevolking ervan konden overtuigen het keizerlijk bevel te accepteren,[17] maar deze hoop bleek tevergeefs.

Daarop trok Petronius met twee van de vier in Syria gelegerde legioenen - een teken dat hij hevig verzet verwachtte - naar Ptolemaïs, aan de grens met Judea.[18] Een grote groep Joden kwam echter vanuit Jeruzalem en de omliggende gebieden naar Ptolemaïs om bij Petronius te protesteren tegen de uitvoering van Caligula's bevel. Zij verklaarden liever te willen sterven dan de ontwijding van de tempel te moeten aanzien. Mogelijk mede door bemiddeling van de Joodse aristocratie[19] besloot Petronius de uitvoering van het bevel uit te stellen tot hij in Tiberias overleg had gevoerd met de Herodianen.[20] Volgens Philo schreef Petronius in deze periode een brief aan Caligula om hem op de hoogte te stellen van de vertraging in de voortgang van de uitvoering van zijn orders, waarop Caligula hem aanspoorde door te gaan met de uitvoering ervan.[21]

In de voor- of nazomer van 40[22] kwam Petronius in Tiberias aan en voerde hij overleg met Aristobulus (de broer van Herodes Agrippa) en Chelkias Alexas, die eveneens tot het Herodiaanse hof behoorde.[23] In Tiberias wachtte hem echter opnieuw een grote menigte, die vooral bestond uit Galileese boeren, die dreigden niet weg te gaan tot Petronius zou terugkeren naar Syria, ondanks dat het oogsttijd was.[22] Volgens Josephus duurde deze patstelling veertig dagen.[24] Onder de dreiging van de sociaal-economische ontwrichting die dit met zich mee zou brengen,[25] besloot Petronius Caligula een brief te schrijven met het verzoek zijn voornemen in te trekken.[26]

Tegelijkertijd oefende in Rome ook Herodes Agrippa druk uit op Caligula - met wie hij persoonlijk bevriend was - zijn voornemen in te trekken.[27] Aanvankelijk stemde Caligula tegenover Agrippa toe, maar herriep hij dit weer toen hij korte tijd later Petronius' brief ontving,[28] vermoedelijk omdat hij het ongepast vond dat Petronius - die tenslotte niet meer dan een legaat was - een dergelijk verzoek tot hem richtte.[29] Hij schreef Petronius een brief waarin hij hem beschuldigde van corruptie en waarin hij hem het bevel gaf het beeld alsnog gereed te maken. Volgens Philo wilde Caligula het in de tempel laten plaatsen tijdens een voorgenomen bezoek aan de oostelijke rijksdelen in het volgende jaar.[30] Josephus voegt bovendien toe dat Caligula Petronius beval zelfmoord te plegen als straf voor zijn insubordinatie.[31] Het is echter niet meer vast te stellen of dit inderdaad een historisch gegeven is - Philo zwijgt erover - of dat Josephus hier gebruikmaakt van het literaire motief van een goed mens die op het laatste moment ontkomt uit de handen van een tiran.[32] Hoe het ook zij, tot de uitvoering van Caligula's opdrachten kwam het echter niet, doordat de boodschappers van de brief op hun reis over zee vertraagd werden door storm, waardoor het bericht van Caligula's dood (op 24 januari 41) Petronius eerder bereikte dan de brief die Caligula geschreven had.[33]

Onrust in SyriaBewerken

De gebeurtenissen in Judea hadden ook invloed op de situatie in Syria zelf, waar opstootjes lijken te hebben plaatsgevonden rondom de Joodse gemeenschap aldaar, al is de beschrijving daarvan in de antieke bronnen te veel van legendevorming doortrokken om de exacte toedracht te achterhalen.[34] Tot ernstige onlusten lijkt het echter niet gekomen te zijn.

Incident in DoraBewerken

Zowel uit een door Flavius Josephus overgeleverd edict van Petronius uit 42 als uit in Antiochië geslagen munten uit deze periode blijkt dat Petronius ook onder Claudius nog enige tijd gouverneur van Syria bleef, in elk geval tot 42. In deze periode, vermoedelijk eind 41 of begin 42,[35] vond een incident plaats in het Judeese Dora, waar enkele niet-Joodse jongemannen een beeld van Claudius in een synagoge hadden geplaatst. Petronius, die vermoedelijk een herhaling van eerdere onlusten vreesde, greep direct in en beval de bestuurders van Dora het beeld te verwijderen.[36]

Laatste levensjarenBewerken

Korte tijd later werd Petronius teruggeroepen naar Rome. Zijn ambt in Syria werd overgenomen door Gaius Vibius Marsus.[37] In Rome werd Petronius tot de vrienden van Claudius gerekend. Vermoedelijk overleed hij rond 46 na Chr. op ongeveer 70-jarige leeftijd.

NotenBewerken

  1. R.S. Bagnall, "Publius Petronius: Augustan Prefect of Egypt", in: idem, Hellenistic and Roman Egypt: sources and approaches (Farnham: Ashgate, 2006) 89-91.
  2. Suetonius, Vitellius, 6
  3. CIL VI 197
  4. S. Dmitriev, City government in Hellenistic and Roman Asia minor (Oxford: University Press, 2005) 265-266.
  5. Tacitus, Ann. VI 45.2.
  6. Suetonius, Claudius 6.
  7. M. Stern, "The Province of Judaea", in: S. Safrai, M. Stern (eds.), The Jewish People in the First Century, CRINT 1/1 (Assen: Van Gorcum, 1974) I 355: "As was soon to become clear, Petronius displayed an attitude of sympathy to the Jews in no wise inferior to that of his predecessor."
  8. Philo, Leg. 197-337. Josephus, BJ II 184-203, Ant. XVIII 256-309. Zie voor een overzichtelijke schematische weergave, waarbij overeenkomsten en verschillen tussen de bronnen in beeld zijn gebracht, G. Theissen, "The Great Eschatological Discourse and the Threat to the Jerusalem Temple in 40 C.E.", in: idem, The Gospels in Context. Social and Political History in the Synoptic Tradition (London: T&T Clark, 1992, 2004) 142-144 (met bespreking op p.141-151).
  9. Philo, Leg. 200-205. De gebeurtenissen hangen vermoedelijk samen met onlusten in Alexandrië in deze periode, rondom de Joodse gemeenschap aldaar.
  10. Stern, 356. E.M. Smallwood, "Philo and Josephus as Historians of the Same Events", in: L.H. Feldman, G. Hata, Josephus, Judaism, and Christianity (Leiden: Brill, 1987) 120. Zie Philo, Leg. 346.
  11. E.M. Smallwood, 121.
  12. Althans, dit stelt Flavius Josephus (Ant. XVIII 261), die daarbij eveneens vermeldt dat dit incident voor Caligula de reden vormde om Vitellius door Petronius te laten aflossen.
  13. Flavius Josephus, Ant. XVIII 261.
  14. Philo, Leg. 220-222.
  15. Philo, Leg. 222-224.
  16. N.H. Taylor, "Popular Opposition to Caligula in Jewish Palestine", JSJ 32 (2001) 58-59. Zie ook Smallwood, 121.
  17. Taylor, 59-60.
  18. Josephus, Ant. XVIII 262. Philo, Leg. 207. Vgl. ook Tacitus, Hist. V 9.2 Elders stelt Josephus dat Petronius met drie legioenen naar Ptolemaïs trok (BJ II 186), maar het is niet aannemelijk dat Petronius slechts één legioen in Syria achterliet om de grens met de Parthen te bewaken (Taylor, 60 n.22). Stern wijst er terecht op dat de Parthische koning Artabanus, die een serieuze dreiging voor de Romeinen had gevormd, nog maar slechts een jaar voor het ontstaan van de onlusten in Judea was overleden (Stern, 357).
  19. Taylor, 62-64.
  20. Flavius Josephus, Ant. XVIII 269.
  21. Philo, Leg. 248-260.
  22. a b Zie Stern, 357, die op grond van Philo uitgaat van de voorzomer. Philo vermeldt dat het om de oogsttijd ging; Josephus heeft het over de zaaitijd. Zie ook Sterns meer uitgebreide argumentatie in "Sources. Appendix: Chronology", in S. Safrai, M. Stern (eds.), The Jewish People in the First Century, CRINT 1/1 (Assen: Van Gorcum, 1974) I 72-74. Zie ook Smallwood, 122, die tot dezelfde conclusie komt, en er tevens op wijst dat de eerste oogsttijd in een seizoen (in de voorzomer) samenvalt met de zaaitijd voor de tweede oogst van het seizoen (die in augustus plaatsvond). Theissen neemt aan dat de ontmoeting in Ptolemaïs - strikt genomen de enige waarover Philo schrijft - plaatsvond in mei 40 en de ontmoeting in Tiberias in oktober 40, tijdens de zaaitijd voor de oogst van mei 41 (Theissen, 147-148).
  23. Josephus, Ant. XVIII 273.
  24. Flavius Josephus, Ant. XVIII 272-274.
  25. Philo, Leg. 249. Volgens Josephus, (Ant. 276-277) maakten de Herodianen Petronius hierop attent, maar omdat dit aansluit bij terugkerende motieven in Josephus' oeuvre, lijkt hij op dit punt minder betrouwbaar.
  26. Josephus, Ant. XVIII 277-278.
  27. Josephus, Ant. XVIII 289-329. Philo, Leg. 261-329.
  28. Josephus, Ant. XVIII 301-303. vgl. Philo, Leg. 333.
  29. Smallwood, 122.
  30. Philo, Leg. 337-338.
  31. Josephus, Ant. XVIII 304; BJ II 203.
  32. Smallwood, 123. Theissen meent dat Philo wel degelijk toespelingen maakt op dit bevel, ondanks dat Philo dit niet specifiek noemt, en accepteert Josephus' weergave als historisch (Theissen, 147-148).
  33. Josephus, Ant. XVIII 305-309. Volgens BJ 203 bereikte het bericht van Caligula's dood Petronius 27 dagen eerder dan de brief met het doodsvonnis.
  34. Malalas 244,18-245,21. Zie de bespreking bij J.M.G. Barclay, Jews in the Mediterranean Diaspora. From Alexander to Trajan (323 BCE - 117 CE) (Berkeley, 1999) 251-252.
  35. M.P. Ben Zeev, Jewish rights in the Roman world: the Greek and Roman documents quoted by Josephus Flavius TSAJ 74 (Tübingen: Mohr Siebeck, 1998) 355.
  36. Josephus, Ant. XIX 301-312.
  37. Flavius Josephus, Ant. XIX 316.

BronvermeldingBewerken

  • art. Petronii (2), in J.G. Schlimmer - Z.C. De Boer, Woordenboek der Grieksche en Romeinsche Oudheid, Haarlem, 19203, p. 473.
  • M.P. Ben Zeev, Jewish rights in the Roman world: the Greek and Roman documents quoted by Josephus Flavius TSAJ 74 (Tübingen: Mohr Siebeck, 1998) 344-355.
  • E.M. Smallwood, "Philo and Josephus as Historians of the Same Events", in: L.H. Feldman, G. Hata, Josephus, Judaism, and Christianity (Leiden: Brill, 1987) 114-130.
  • M. Stern, "The Province of Judaea", in: S. Safrai, M. Stern (eds.), The Jewish People in the First Century, CRINT 1/1 (Assen: Van Gorcum, 1974) I 308-376.
  • N.H. Taylor, "Popular Opposition to Caligula in Jewish Palestine", JSJ 32 (2001) 54-70.
  • G. Theissen, "The Great Eschatological Discourse and the Threat to the Jerusalem Temple in 40 C.E.", in: idem, The Gospels in Context. Social and Political History in the Synoptic Tradition (London: T&T Clark, 1992, 2004) 125-165.