Hoofdmenu openen

Petrus Matthias Snickers

Nederlands priester (1816-1895)

Petrus Matthias Snickers (Rotterdam, 11 april 1816 - Utrecht, 2 april 1895) was bisschop van Haarlem van 1877 tot 1883 en aartsbisschop van Utrecht van 1883 tot 1895.

Petrus Matthias Snickers
5snickers.jpg
Metropoliet van de Rooms-Katholieke Kerk
Wapen metropoliet
Geboren 11 april 1816
Plaats Rotterdam
Overleden 2 april 1895
Plaats Utrecht
Wijdingen
Bisschop 2 september 1877
Kerkelijke carrière
Eerdere functies 1877-1883: bisschop van Haarlem
1883-1895: aartsbisschop van Utrecht
Successie
Voorganger bisschop van Haarlem: Gerardus Petrus Wilmer
aartsbisschop Utrecht: Andreas Ignatius Schaepman
Opvolger bisschop van Haarlem: Caspar Josefus Martinus Bottemanne
aartsbisschop van Utrecht: Henricus van de Wetering
Portaal  Portaalicoon   Christendom

Snickers werd in 1841 tot priester gewijd en was kapelaan in achtereenvolgens Poeldijk, Pijnacker, Amsterdam, Haarlem en Overveen. In 1869 werd hij benoemd tot president van het grootseminarie Rijsenburg en in 1874 tot vicaris-generaal. Snickers werd op 2 september 1877 in de kathedraal van Haarlem door de Utrechtse aartsbisschop Andreas Ignatius Schaepman tot bisschop van Haarlem gewijd. Als wapenspreuk koos hij een verwijzing naar De civitate Dei, Laboris non honoris, 'Voor werk, niet voor eer'.

Het gerucht gaat [bron?] dat hij vervolgens als aartsbisschop naar Utrecht werd gehaald vanwege zijn grote geldelijke vermogen. Over zijn activiteiten als aartsbisschop is weinig bekend. Hij trad zelf niet actief op in de sociale en politieke bewegingen maar verleende daar wel zijn morele steun aan. Hij was in die zin ook de steunpilaar van Alphons Ariëns, priester-voorman voor de Twentse arbeiders en ook de tegenpool van zijn Haarlemse opvolger Caspar Josefus Martinus Bottemanne die de arbeidersklasse toch liever aan de zorg van de 'hogere standen' toevertrouwde.

ZwijgerBewerken

Snickers stond bekend als een grote zwijger, een wijs mensenkenner, zacht van karakter, hoofs van manieren, maar zeer onafhankelijk van denken.[1]. Over hem gaat het verhaal [bron?] dat hij bij een bezoek aan Rome samen met zijn secretaris, uiteraard per trein, bij het vertrek uit Amsterdam zei: "Nou, daar gaan we dan", en bij aankomst in Rome: "Nou, daar zijn we dan". Onderweg zou geen woord gewisseld zijn.