Hoofdmenu openen

Jan van Nassau (elect)

Elect van Utrecht (1267-1290)

Jan van Nassau († Deventer, 13 juli 1309)[1] was een geestelijke uit het Huis Nassau. Hij was van 1267 tot 1290 als Jan I elect van het Sticht Utrecht.

Jan I van Nassau
Jan mogelijk afgebeeld op twee Utrechtse stadszegels
Jan mogelijk afgebeeld op twee Utrechtse stadszegels
Utrecht-bisdom.PNG Elect van Utrecht
Regeerperiode 1267-1290
Voorganger Hendrik I van Vianden
Opvolger Jan II van Sierck
Huis Nassau
Vader Hendrik II van Nassau
Moeder Machteld van Gelre en Zutphen
Geboren ?
Gestorven 13 juli 1309
Deventer
Begraven Lebuïnuskerk, Deventer
Religie Rooms-Katholiek
Wapenschild
Wapen van het Sticht Utrecht

BiografieBewerken

Jan was de zesde zoon van graaf Hendrik II ‘de Rijke’ van Nassau en Machteld van Gelre en Zutphen, de jongste dochter van graaf Otto I van Gelre en Zutphen en Richardis van Beieren.[1] Jan wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde uit 1247.[2] Van 1262 tot 1265 was hij aartsdiaken van de Condroz.[3]

Elect van UtrechtBewerken

Onder invloed van zijn neef graaf Otto II van Gelre werd Jan in 1267 tot opvolger van Hendrik van Vianden gekozen als bisschop van het Sticht Utrecht.[4] Omdat paus Clemens IV (op instigatie van de aartsbisschop van Keulen) het met deze keuze niet eens was, werd Jan nooit tot bisschop gewijd en bleef hij elect.
Door het overlijden van Otto II van Gelre in 1271 ontviel Jan zijn belangrijkste steun.[4]

Bestuur van het Sticht UtrechtBewerken

Jan liet zich weinig gelegen liggen aan zijn geestelijke functies, en ook zijn landsheerlijk bestuur faalde door zijn zwakke politiek en slecht financieel beheer. Tijdens zijn bewind nam de invloed van het graafschap Holland in het Sticht sterk toe.

In het westen van het Sticht streefden de heren van Amstel en de heren van Woerden naar een autonome positie tussen Holland en het Sticht, ze aanvaardden opportunistisch iedere hulp. In 1274 zag Gijsbrecht IV van Amstel in de opstand van de Kennemers, Waterlanders en Westfriezen een kans om definitief met Jan af te rekenen. Hij plaatste zich aan het hoofd van de opstandelingen en trok met hen naar Utrecht, waar ze ambachtsgilden aan de macht brachten. Daarna trokken de opstandelingen zich terug. Jan was naar Deventer gevlucht en kon pas in 1276 naar de stad Utrecht terugkeren, nadat Zweder van Beusichem deze had terugveroverd op de ambachtsgilden.[4]

Ondertussen was Jan echter zo met schulden belast geraakt dat hij de burchten Vreeland, Montfoort en Ter Horst – die eigenlijk de grenzen van het Sticht moesten verdedigen – moest verpanden aan zijn leenmannen, Vreeland aan Gijsbrecht IV van Amstel, Montfoort aan Herman VI van Woerden, en Ter Horst aan Jan I van Cuijk. Dit maakte de elect machteloos en hij had dringend geld nodig. Hij roofde daarom in 1278 uit het dominicanerklooster in Utrecht de opbrengst van de tienden voor de kruistocht, hetgeen hem de eeuwigdurende haat van de kerkelijke autoriteiten opleverde.[4]

Graaf Floris V van Holland leende Jan in 1279 geld om het gestolen geld terug te betalen, maar vroeg – en kreeg – als tegenprestatie alle inkomsten van het Nedersticht in onderpand. Daarna ging Floris V de heren van Amstel en van Woerden bestrijden, belegerde Vreeland, en nam Gijsbrecht IV van Amstel en zijn broer gevangen. De Amstelse en Woerdense goederen werden voorgoed bij Holland ingelijfd, Jan kon slechts machteloos toezien. Jan behield wel enige macht in het Oversticht omdat graaf Reinoud I van Gelre zich vooral bezighield met de Limburgse Successieoorlog.[4]

Feitelijk werd Utrecht geheel bestuurd door Holland, lange tijd in de persoon van de edelman Nicolaas van Cats. Jan probeerde zich met behulp van de IJsselsteden (de hanzesteden Doesburg, Zutphen, Deventer, Hattem en Zwolle) nog aan de greep van Holland te bevrijden (1283-1284), maar tevergeefs.

Uiteindelijk werd hij in december 1290 door paus Nicolaas IV afgezet.[4] Jan vestigde zich in Deventer, waar hij op 13 juli 1309 overleed. Hij werd begraven in de Lebuïnuskerk.[1]

Financiering Dom van UtrechtBewerken

Jan nam in 1288 verschillende maatregelen om de bouw van de Domkerk te financieren. Hij beschouwde zich om die reden als de werkelijke stichter van de Utrechtse kathedraal. Ironisch is het dat juist op het Domplein een groot standbeeld staat van naamgenoot graaf Jan van Nassau, één der belangrijkste oprichters van de Unie van Utrecht, die echter niets met de Domkerk van doen had.

BastaardkinderenBewerken

Jan verwekte vier kinderen bij een onbekend gebleven vrouw:[3]

  1. Johan van Nassau (gesneuveld voor de Nordenberghepoort te Zwolle, 4 juni 1352). Hij huwde eerst met Frieda van Appeldoorn († 4 juli 1350) en daarna met Ermgard ter Oy (vermeld op 4 juni 1352).
  2. Jacob van Nassau († 21 maart na 1340). Hij huwde met een zekere Nenta (vermeld als weduwe in 1350). Uit dit huwelijk werd geboren:
    1. Everhard van Nassau († 7 december 1390). Hij was kanunnik te Deventer in 1350 en vicaris in de Sint-Lebuïnuskerk te Deventer.
  3. Otto (vermeld te Deventer in 1320).
  4. Mechteld († Deventer, 1350). Ze was gehuwd met J. Vrijherte.
Voorganger:
Hendrik I (van Vianden)
  Bisschop van Utrecht
1267-1290
Opvolger:
Jan II (van Sierck)