Gedalia

Gedalia of Gedalja (Hebreeuws: גְּדַלְיָהוּ, "Jah is groot / heeft Zijn grootheid bewezen") was volgens de Hebreeuwse Bijbel stadhouder in de provincie Juda. Hij werd na de verovering van Jeruzalem in 587 v.Chr. door de Babyloniërs onder Nebukadnezar II aangesteld. Zijn vader was Achikam, zijn grootvader Sjafan; zodoende behoorde hij tot het geslacht van de Sjafaniden, dat ervoor had gekozen, die Babylonische bezetting te accepteren.[1]

Hij resideerde in de tijdens de Babylonische verovering intact gebleven stad Mizpa. Na slechts 7 maanden in functie te zijn geweest, kwam hij bij een moordaanslag door Jisjmaël ben Netanja om het leven. Deze behoorde tot het leger van het zojuist ten onder gegane Huis van David, dat tevoren over het koninkrijk Juda had geregeerd. De meeste van de nog niet gedeporteerde Joden vluchtten daarop uit angst voor de Babyloniërs naar Egypte.[2]

Op de 3e dag van de maand tisjri wordt met een vastendag, de Zom Gedalja, de moord op Gedalia jaarlijks herdacht.