Gebruiker:Perudotes/Medeplichtigheid

Medeplichtigheid is een deelnemingsvorm in het Nederlandse strafrecht. Anders dan bijvoorbeeld de medepleger en de uitlokker behoort de medeplichtige niet tot de kring van daders van het delict. De medeplichtige neemt niet rechtstreeks deel aan het strafbare feit, maar bevordert of vergemakkelijkt slechts het door een ander gepleegde misdrijf.

De term 'medeplichtigheid' is een samenstelling van 'mede' en het Middelnederlandse 'plichten' of 'plechten', wat zoveel betekent als zich aan iemand verbinden, iemand bijstaan. Medeplichtigheid betekent derhalve zoiets als het zich verbinden aan een ander ter uitvoering van een bepaalde handeling. Medeplichtig is hij 'die zich mede aan iemand verbonden heeft in zekere handeling, en dus mede aan iemand aan zijne schuld verbonden is.'[1] De overeenkomst met de term 'medeplegen' is derhalve niet meer dan toevallig.[2]

TotstandkomingsgeschiedenisBewerken

Reeds het in 1809 in werking getreden Crimineel Wetboek voor het Koningrijk Holland (CW) kende bepalingen die de aansprakelijkheid voor strafbare feiten uitbreidde buiten de kring van diegenen die het delict daadwerkelijk plegen; overigens zonder deze groep medeplichtigen te noemen.[n 1] Artikel 17 CW bepaalde dat niet alleen zij die zelf het delict plegen strafbaar zijn, maar ook zij die daartoe bevorderlijk zijn of daaraan deelnemen. Blijkens dit en de volgende artikelen was onder het Crimineel Wetboek, anders dan in het Oudvaderlands recht, alleen de voorafgaande en gelijktijdige hulp aan het strafbare feit strafbaar. Het niet verhinderen van een misdrijf, evenals het verlenen van hulp na het plegen van het misdrijf, werd benevens enkele bijzondere delicten niet meer strafbaar geacht.[3]

Artikel 18 CW bevatte twee vormen van aansprakelijkheid. Voor hen die 'door dwang, bevel, last, verleiding, bepaalden en stelligen raad, anderen tot misdaad aanzetten, of daartoe bijzondere onderrigting geven of aanwijzing doen' gold dat zij aansprakelijk waren voor de gevolgen die uit hun gedrag volgden en door hen hadden kunnen (en behoren te) worden voorzien. Indien er (ondanks het bevorderen daarvan) geen strafbaar feit was gepleegd werd het bevorderen door dwang, bevel, last, verleiding, bepaalde en stellige raad als poging gezien. Hetgeen in de regel leidde tot een lagere straf.[3]

In artikel 19 CW werden vervolgens de helpers aansprakelijk gesteld die 'door het verschaffen van wapenen, werktuigen, gereedschappen of andere instrumenten, tot de misdaad helpen of medewerken, die tot het gemakkelijker plegen gelegenheid geven, of, gedurende het misdoen, de daders beveiligen, bedekken of op eenigerlei andere wijze voorbedachtelijk de misdaad begunstigen of bevorderen'. Hun bijdrage werd als minder strafwaardig gezien waardoor het aan de rechter overgelaten werd om een passende straf op te leggen.[3] Artikel 20 CW stelde vervolgens dat deze algemene regels alleen golden voor zover er geen uitzondering op werd gemaakt in een bijzondere bepaling.

Code PénalBewerken

Artikel 60 CP. Als medepligtige aan een feit, met den naam van misdaad of wanbedrijf bestempeld, zal gestraft worden, wie door gaven, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of magt, of ook door listige en schuldige kunstenarijen, iemand tot dat feit uitgelokt of opgeruid, of tot het plegen daarvan onderrigt gegeven zal hebben;
Wie wapenen, werktuigen, of welk ander middel ook, dat tot het feit gediend heeft, verschaft zal hebben, met voorweten dat zij daartoe dienen zouden;
Wie des bewust zijnde, den dader of de daders van het feit, in de bedrijven die dienden om het voor te bereiden of te doen gelukken, of in de bedrijven, die het voltooiden, bijgestaan of geholpen zal hebben: behoudens de straffen, bij dit Wetboek bepaald, tegen aanlegers van zamenspanningen, uitlokkingen, of opruijingen ter verstoring van de in- of uitwendige veiligheid van den Staat, zelfs in gevalle de misdaad door de zamenspanners, uitlokkers of opruijers beoogd, niet tot dadelijkheid gekomen mogt zijn.

Wetboek van StrafrechtBewerken

Het karakter van de medeplichtigheidBewerken

Medeplichtigheid onderscheidt zich aldus van andere deelnemingsvormen door haar accessoire karakter.[n 2] Ook andere deelnemingsvormen kunnen in meer of mindere mate accessoir zij zijn aan het grondfeit, maar bij de medeplichtigheid is de bijdrage van de medeplichtige volkomen accessoir. Het gevolg hiervan is dat de medeplichtige handeling op zichzelf niet strafbaar is. Een medeplichtige bijdrage wordt pas strafbaar zodra er een sprake is van een (strafbare poging/voorbereiding tot een) voltooid misdrijf. Als de medeplichtige dus alles heeft gedaan om een misdrijf van iemand anders te vergemakkelijken, maar besluit deze vervolgens om af te zien van de uitvoering daarvan, dan is de medeplichtige niet strafbaar. Kortom de medeplichtige draagt niet direct bij aan het strafbare feit, maar vergemakkelijkt of bevordert slechts het door een ander begane misdrijf.[4]

Juist hier onderscheidt de medeplichtigheid zich dan ook van andere deelnemingsvormen als medeplegen en uitlokking. De medeplichtige is behulpzaam, terwijl de medepleger in meer of mindere mate het strafbare feit rechtstreeks teweegbrengt. De grens tussen medeplegen en medeplichtigheid is echter wel vervaagd, doordat bij medeplegen het accent van een gezamenlijke uitvoering verschoven is naar de bewuste en nauwe uitvoering van het strafbare feit. De medepleger hoeft daarom niet meer direct aan het strafbare feit deel te nemen en van medeplegen kan thans ook volledig voorafgaand aan het misdrijf plaatsvinden. Doorslaggevend is dat het opzet van medeplichtige niet gericht is op de totstandkoming van het strafbare feit. Daarin verschilt het opzet van de medeplichtige van de uitlokker en de medepleger: hun opzet is wel gericht op de totstandkoming van het misdrijf. De rol van de medeplichtige daarentegen is een ondergeschikte.[5]

Vormen van medeplichtigheidBewerken

In het Wetboek van Strafrecht wordt een verschil gemaakt tussen voorafgaande en gelijktijdige medeplichtigheid. De gelijktijdige medeplichtigheid (ook wel simultane medeplichtigheid genoemd) wordt omschreven als het 'opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf'.[6] Bij voorafgaande medeplichtigheid (consecutieve medeplichtigheid) wordt het kernverwijt omschreven als het 'opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf'.[7] Medeplichtigheid die na het plegen van het misdrijf wordt gegeven is derhalve niet in algemene zin strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht. Wel kan deze vorm van medeplichtigheid, die ook wel 'begunstiging' wordt genoemd, in afzonderlijke delicten strafbaar gesteld zijn. Bijvoorbeeld bij de delicten begunstiging (artikel 189 WvSr) en heling (artikel 416 WvSr).[8]

De wetgever heeft ervoor gekozen om de simultane medeplichtigheid (medeplichtigheid 'bij') niet nader te begrenzen.[n 3] Het gevolg daarvan is dat elke vorm van hulp die bijdraagt aan de totstandkoming van het strafbare feit onder medeplichtigheid kan vallen. Te denken valt bijvoorbeeld aan het verstrekken van inlichtingen, het op de uitkijk staan tijdens de uitvoering van het misdrijf, of het verstrekken van een hulpmiddel waarmee het misdrijf wordt gepleegd. Met betrekking tot de voorafgaande medeplichtigheid (medeplichtigheid 'tot') heeft de wetgever wel specifieke bevorderingsmiddelen in de wet opgenomen. Voorafgaande medeplichtigheid is volgens de wet slechts strafbaar als de medeplichtige gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft tot het plegen van het misdrijf.[9]

Een bekend voorbeeld van het verschaffen van gelegenheid vormt de bewaker die nalaat om in te grijpen bij een diefstal, nadat de dief in het bijzijn van de bewaker duidelijk maakt dat hij voornemens is om een bepaald goed te stelen.[10] Ook het open laten staan van de deur van een woning kan onder omstandigheden het verschaffen van gelegenheid opleveren, bijvoorbeeld indien dit gebeurt om een dief de vrije toegang tot de woning te geven.[n 4] Bij het verschaffen van middelen dacht de wetgever specifiek aan werktuigen waarmee het latere misdrijf gepleegd wordt. Te denken valt aan een mes dat gebruikt wordt om iemand anders neer te steken.[11] Onder het verschaffen van inlichtingen moet gedacht worden aan 'het meedelen van feiten en omstandigheden waardoor het plegen van het delict mogelijk of gemakkelijk wordt gemaakt'.[12] Te denken valt de locatie van de te stelen goederen in een winkel,[13] of bijvoorbeeld de code van een kluis.[n 5] Een enkele aansporing om een misdrijf te begaan, of het verstrekken van inlichtingen die al bekend zijn bij de pleger is echter onvoldoende. Voor alle bevorderingsmiddelen geldt overigens dat zij niet in direct verband met het misdrijf hoeven te staan. Wie bijvoorbeeld geld geeft om later een uit misdrijf afkomstig goed te kopen verschaft ook middelen tot misdrijf.[14]

Het verschil tussen de voorafgaande en gelijktijdige medeplichtigheid heeft echter aan belang ingeboet, doordat de Hoge Raad in 2011 in bepaalde dat voor een bewezenverklaring niet nodig is dat de rechter een keuze maakt tussen een van beide vormen. De Hoge Raad overwoog specifiek dat bij de toepassing van de medeplichtigheidsbepaling 'de vraag [kan] rijzen of beide vormen van medeplichtigheid strikt kunnen of moeten worden afgebakend ten opzichte van elkaar'. De Raad beantwoorde deze vraag negatief. De Raad wees erop dat het kernverwijt van medeplichtigheid 'het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf' is en dat het niet altijd mogelijk is om de tijdstippen van het misdrijf en de gedraging van de medeplichtige nauwkeurig vast te stellen. Volgens de Raad is in de loop der tijd het fysieke aspect van medeplichtigheid (en daarmee gepaard gaand de tijdsbepaling) minder belangrijk geworden. Zodoende hoeft de rechter volgens de Raad geen keuze te maken tussen beide medeplichtigheidsvormen, omdat die keuze volgens hem niet van belang is voor de strafrechtelijke betekenis van de bewezenverklaring en aangezien de kwalificatie en de maximumstraf in beide gevallen hetzelfde zijn.[15][n 6]


Actieve en passieve medeplichtigheidBewerken

BegunstigingBewerken

Voorwaarden voor medeplichtigheidBewerken

  1. Opzet gericht op het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf
  2. Opzet gericht op het misdrijf
  3. Accessoriteit
  4. Causaliteit

Opzet op hulpverleningBewerken

Opzet op grondmisdrijfBewerken

AccessoriteitBewerken

CausaliteitBewerken

Verschil met andere deelnemingsvormenBewerken

ECLI:NL:HR:2011:BO2629 ECLI:NL:HR:2014:3474

BronnenBewerken

De Hullu 2018
  • J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2018
Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996
  • D. Hazewinkel-Suringa/J. Remmelink, Mr. D. Hazewinkel-Suringa's Inleiding tot de studie van het Nederlandse strafrecht, Gouda Quint: Deventer 1996
Kempen 1809/I
  • J.M. Kempen, Crimineel Wetboek voor het Koningrijk Holland. Met eene inleiding en aanmerkingen. Eerste deel, Amsterdam: Johannes Allart 1809
Kok & Römer 1999
  • G. Kok & S.F.C. Römer, 'Medeplichtigheid', in: J.L. van der Neut (red.), Daderschap en deelneming (Facetten van strafrecht, deel 7), Deventer: Gouda Quint 1999
Strijards 1992
  • G.A.M. Strijards, Hoofdstukken van materieel strafrecht, Utrecht: Uitgeverij LEMMA BV 1992
Wolswijk 2007
  • H.D. Wolswijk, 'Medeplichtigheid', in: J.B.J. van der Leij (red.), Plegen en deelnemen (Facetten van strafrecht, deel 17), Deventer: Kluwer 2007

ReferentiesBewerken

  1. Smidt 1, p. 438.
  2. Kok & Römer 1999, p. 117; Smidt 1, p. 438; Etymologisch woordenboek van het Nederlands, lemma medeplichtig.
  3. a b c Kempen 1809/I, aantekening bij artikel 17-20.
  4. Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 446; Strijards 1992, p. 189-190; Wolswijk 2007, p. 184-185.
  5. Wolswijk 2007, p. 184-185.
  6. Artikel 48 aanhef en eerste onderdeel Sr.
  7. Artikel 48 aanhef en tweede onderdeel Sr.
  8. Kok en Romer 1999, p. 118; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 447.
  9. Wolswijk 2007, p. 186-187; De Hullu 2018, p. 496
  10. Vgl. HR 21 februari 1921, W 10717.
  11. HR 8 mei 1979, NJ 1979, 481 (Danszaal Soranus).
  12. Kok en Romer 1999, p. 119.
  13. HR 5 november 1946, NJ 1947, 133.
  14. Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 446; Kok en Romer 1999, p. 118-119; Wolswijk 2007, p. 187.
  15. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629, r.o. 2.2; De Hullu 2018, p. 496-497.

NotenBewerken

  1. Kempen in diens Crimineel Wetboek voor het Koningrijk Holland. Met eene inleiding en aanmerkingen (1809) omschrijft deze uitbreiding van de aansprakelijkheid wel als 'overeenkomstig met ons voormalig regt, volgens hetwelk ook medepligtigen strafbaar waren'.
  2. Accessoiriteit betekent hier zoveel als het leveren van een bijdrage aan het grondfeit, zonder dat de geboden hulp ook daadwerkelijk tot de uitvoering van het grondfeit gerekend kan worden. De hulp is dus bijkomend ('accessoir').
  3. De reden waarom de gelijktijdige medeplichtigheid, in tegenstelling tot de voorafgaande, niet beperkt is, hangt nauw samen met de opvattingen van de wetgever in 1886. De wetgever was destijds namelijk terughoudend in het strafbaar stellen van gedragingen die in een verder verband van het grondfeit liggen. Doordat de voorafgaande medeplichtigheid qua tijd verder van het grondfeit afligt, vond de wetgever het noodzakelijk om de strafbaarheid daarvan in te perken door het stellen van bepaalde voorwaarden aan de medeplichtige bijdrage. Zie verder: Wolswijk 2007, p. 186.
  4. In het geval van de bewaker stelt de Hoge Raad overigens voorop dat de bewaker in dit specifieke geval belast was met het toezicht over de koffie en het dus zijn bijzondere plicht was om de diefstal te verhinderen. M.a.w. een niet doen levert alleen een verschaffen op indien er een specifieke rechtsplicht tot ingrijpen bestaat. Zonder een dergelijke rechtsplicht is er derhalve geen sprake van het verschaffen van gelegenheid, maar slechts van het bieden of laten van gelegenheid. Vgl. Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 446-447.
  5. Een curieus geval deed zich voor bij de Landraad Soemedang, waarin de Landraad oordeelde dat een sterrenwichelaar medeplichtig was aan diefstal, omdat hij een voor de dieven gunstig tijdstip zou hebben doorgegeven. Zie verder: Kok en Romer 1999, p. 119 die verwijzen naar het Indisch Tijdschrift van het Recht 1937, afl. 145, p. 821.
  6. Voor een kritische lezing van dit arrest zie: H.D. Wolswijk, 'Voorafgaande en gelijktijdige medeplichtigheid. Enkele opmerkingen over HR 22 maart 2011, NJ 2011, 341', DD 2011/80, afl. 10, p. 1118-1138.