Hoofdmenu openen

Frederik Jagiellon

Pools priester (1468-1503)

Frederik Jagiellon (Pools:Fryderyk Jagiellończyk; Krakau, 27 april 1468 - 14 maart 1503, Krakau) was de 39e bisschop van Krakau, aartsbisschop van Gniezno en kardinaal.

Frederik Jagiellon
27 april 1468 - 14 maart 1503
Fryderyk Jagiellończyk.PNG
Vader Casimir IV van Polen
Moeder Elisabeth van Oostenrijk
Dynastie Huis Jagiello
Portaal  Portaalicoon   Polen
Frederik Jagiellon
Kardinaal van de Rooms-Katholieke Kerk
Wapen van een kardinaal
Rang kardinaal-priester
Creatie
Gecreëerd door Paus Alexander VI
Consistorie 20 september 1493
Kerkelijke carrière
1488-1493 Bisschop van Krakau
1493–1503 Aartsbisschop van Gniezno
Portaal  Portaalicoon   Christendom

JeugdBewerken

Prins Fryderyk Jagiellończyk werd als jongste zoon van Casimir IV van Polen in het koninklijke Kasteel van Wawel geboren en is vernoemd naar keizer Frederik III. Hij is opgegroeid aan het hof in Krakau (met een uitzondering van vier jaar in Vilnius) en kreeg volgens 15e-eeuwse bronnen van de Jagiellonische Universiteit scholing van de theoloog Jan Baruchowski.

Politieke carrièreBewerken

Frederik Jagiellon werd in 1488 op 20-jarige leeftijd unaniem gekozen door het kapittel van de Wawelkathedraal als bisschop van Krakau. Dat hij nog geen 30 was en op geen enkele manier gewijd was in de heilige ordes woog niet op tegen het feit dat hij bekend stond voor zijn "zedelijkheid en wijsheid". Frederik Jagiellon werd op 21 april in de dorpskerk van Piotrków Trybunalski in de lage heilige ordes gewijd. Paus Innocentius VIII betrachtte op 2 mei de benoeming in het geheim en verleende Frederik Jagiellon een dispensatie om het bisschopsdom tot zijn 25e levensjaar 'in administrationem' te leiden. De prins werd op 24 januari 1489 in de Wawelkathedraal officieel gewijd tot administrateur-bisschop, wat hem (gezien zijn achtergrond en status) tot een van de machtigste personen in het koninkrijk maakte.[1]

Kort na de begrafenis van zijn vader kocht Frederik Jagiellon 600 huurlingen uit de schatkist (5,475 florijnen) van Krakau en trok op naar het kasteel van Piotrków Trybunalski, waar hij als hoofd van het Huis Jagiello tien dagen lang met de Pruisische afgevaardigden onderhandelen over de toekomst van het land. Hij erkende Lucas Watzenrode als bisschop van Ermland en wist zo genoeg stemmen te verzamelen om zijn broer Jan I Albrecht aan te wijzen als de nieuwe koning van Polen.[2]

Frederik Jagiellon werd na de dood van Zbigniew Oleśnicki met steun van zijn broer op 2 oktober 1493 gekozen tot aartsbisschop van Gniezno en primaat, waardoor hij nog meer macht naar zich toetrok. Frederik Jagiellon werd op 20 september 1493 tot kardinaal gemaakt.[2]

De prins kreeg in december dat jaar de titel Sanctae Lucia in Septomsoliis.[2] Hij maakte op 14 december 1493 een triomfantelijke entree in Krakau, waar hooggeplaatste geestelijken, bestuurders, de burgerij, professoren van de Jagiellonische Universiteit en de gewone bevolking in rijen langs de straten hem zaten op te wachten.[3]

De theoloog Johannes Sacranus sprak die dag namens de universiteit vol lof over de kersverse kardinaal:

"We bidden en smeken dat uw huidige nieuwe bezoek aan ons in een zo verheven staat, gezegend door het meest vriendelijke lot, zo glorieus zal schijnen als onze gemeenschappelijke verwachting en verlangen is; en dat u met uw meest barmhartige vaderlijke vriendelijkheid, vanwege zowel de luister van uw bloeiendste afstamming en deze huidige nieuwe waardigheid, en van de meest opmerkelijke wijsheid en schittering van deugden waardoor u elke dag groter en meer en meer illuster wordt, de meest oprechte genegenheid waarmee we bijzonder gehecht zijn aan uw eerbied en vrijgevigheid moge waarnemen en erkennen, en moge u ons overtuigen dat er geen bezwarend bewijs bestaat van uw welwillendheid en aangeboren goedheid, omdat het vaderland zelfs van zo'n eervolle prins grootsheid verwacht, en dat de kerk glorie kan putten uit zo'n grootse voorganger van vrede en vooruitgang, zodat deze universiteit niet hoeft te wanhopen van het hebben en verkrijgen van bescherming, verlichting, onderdak en vrede van zo'n machtige en meest glorieuze president."[3]

Hij schonk dat jaar een ceremoniële gouden knots aan de universiteit. De knots was vervaardigd door de koninklijke goudsmid Marcin Marciniec.[4] Ook heeft hij de collectie van de universiteit uitgebreid.[5]

Frederik Jagiellon overleed in maart 1503 in zijn ziektebed in het bisschoppelijk paleis in Krakau. Hij werd in de Wawelkathedraal begraven.[6] De bronzen tombe is in 1510 in Neurenberg door de Vischers vervaardigd.[7]

GalerijBewerken

Voorganger:
Jan VI Rzeszowski
Bisschop van Krakau
1488-1493
Opvolger:
Jan Konarski
 Aartsbisschop van Gniezno
1493–1503