Ferdinand Vercnocke

Belgisch schrijver

Ferdinand Vercnocke (Oostende, 14 december 1906 - Duffel, 12 mei 1989) was een Vlaams advocaat, polemist, dichter, illustrator, schilder, graficus, proza- en toneelschrijver.

Ferdinand Vercnocke in zijn atelier ca 1984

LevensloopBewerken

Vercnocke werd geboren als zoon van een zeeloods. Het gezin met 4 kinderen verhuisde bij het aanbreken van de Eerste Wereldoorlog naar Engeland (Aylesbury). Vader ging echter al snel terug als oorlogsvrijwilliger, de rest bleef overzee waar Ferdinand op een grammar school zat.

 
Ferdinand Vercnocke te Oostende, ca 1927, met zussen: Henriette en Marie-Louise (r).

In 1919 kwam het gezin terug naar Oostende, waar hij zijn studie vervolgde aan het Onze-Lieve-Vrouwecollege. Hij schreef zich na het beëindigen van de humaniora in voor de eerste kandidatuur Germaanse filologie aan de Katholieke Universiteit Leuven. Op aandringen van zijn ouders koos hij echter voor de rechtsgeleerdheid. In 1927-1929 was Vercnocke voorzitter van het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond en in 1929-1930 praeses van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV).

Na zijn studies en zijn legerdienst vestigde Vercnocke zich vanaf 1933 in Oostende en werd advocaat-stagiair aan de balie van Brugge. Hij was vooral literator eerder dan advocaat, want pas na zeven jaar stage werd hij tot het tableau toegelaten. In 1934 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel: “Zeeland”. Vanaf 1938 was hij lid van het IJzerbedevaartcomité en vanaf 1935 schreef hij spreekkoren en strijdgedichten voor de landdagen van het VNV, voor de IJzerbedevaarten en voor de Vlaams Nationale Zangfeesten.

In 1932 overleed zijn oudste zus Marie-Louise (29) aan longontsteking, in 1939 overleed zijn jongere zus Henriette (30) in het kraambed bij de geboorte van haar tweede zoon. Zijn broer Robert voer in de koopvaardij als marconist en was geëmigreerd naar de Verenigde Staten, waar hij een gezin stichtte (San Francisco). Robert (50) overleed aldaar in 1951 door een infectie.

In de tijdschriften Volk waarvan hij redactielid was, en Voetlicht, evenals in Volk en Staat pleitte hij voor een 'volksverbonden' kunst en uitte hij zijn bewondering voor de rassentheoretici in Duitsland.

In 1938 wordt hij lid van het IJzerbedevaart comité. Ook tijdens de oorlogsbedevaarten (1940-1944) zal hij daar een rol spelen.

OorlogstijdBewerken

Op 28 augustus 1939 werd hij gemobiliseerd in het Belgisch Leger als onderluitenant en diende tot de capitulatie na de Achttiendaagse Veldtocht in mei 1940, waarna hij werd krijgsgevangen. Na drie weken werd hij vrijgelaten. Ondertussen woonden zijn ouders in Gistel, omdat het huis in Oostende beschadigd was door de Duitse bombardementen.

In 1940 sympathiseerde Vercnocke met het Vlaams Nationaal Verbond en werd in maart van het volgende jaar medewerker bij Zender Brussel, een propagandakanaal voor het nationaalsocialistische gedachtegoed op de radio. Hij leidde er de rubriek Politiek en Gemeenschap. Ook werkte hij mee aan het dagblad "Volk en Staat". Hij werd een boegbeeld van de (literaire) collaboratie en in de meeste collaborerende publicaties verschenen gedichten van hem.

Op 7 december 1940 nam hij deel aan een reis van kunstenaars naar Duitsland, georganiseerd door de DeVlag onder leiding van kunstschilder Albert Servaes, waarvan een ontvangst door Joseph Goebbels het hoogtepunt was. In DeVlag (1941) verschenen zijn dithyrambische gedichten ‘Aan Hitler’ en ‘Groot-Germanje’.

Als enige Vlaming nam hij in 1941 (oktober) ook deel aan een drieweekse reis doorheen Duitsland “Dichterfahrt durch deutsches land 1941” van de ESV (“Europäischen Schrifsteller-Vereinigung”) die uitmondde in het “Weimar Dichtertreffen”.[1][2] In Weimar sloot ook Filip De Pillecyn aan (Felix Timmermans en Ernest Claes waren in Berlijn langsgekomen).[2][3]

In april 1943 reisde hij, samen met Filip De Pillecyn en Pierre Hubermont, naar het massagraf van het toen nog door Duitsland bezette Katyn (Rusland, Oekraine) in het gezelschap van enkele andere leden van de ESV en schreef hierover een verslag.[4]

Dit bezoek werd hem op zijn proces zwaar aangerekend. Later zou blijken dat Rusland wel degelijk verantwoordelijk was voor het bloedbad (zie "Bloedbad van Katyn").

In 1944 werd de propagandafilm "Vlaanderen te weer" een aantal malen vertoond, een film gebaseerd op een scenario van Vercnocke.

Na een machtswissel en pesterijen, nam Vercnocke in 1943 ontslag bij Zender Brussel, deels om gezondheidsredenen en deels uit onvrede met de bemoeizucht van de bezetter.

De bewering dat Vercnocke lid zou geweest zijn van de Algemene SS Vlaanderen[5] en zich meer en meer compromitteerde naarmate de oorlog vorderde wordt sterk in twijfel getrokken in een recente studie aan de hand van Vercnockes krijgsdossier en proces:[6]

“Vooreerst is Vercnockes belangstelling voor het nationaalsocialisme en de volksverbonden kunst al ruim voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog aanwezig. Daarnaast gaat het niet om een geleidelijke toename in de mate van bevlogenheid, als wel om een piek in 1940-1942, gevolgd door een afname en het verleggen van de focus op de eigen volks-nationale belangen. (…) Er werd [op het proces] veel rekening gehouden met zijn zelfstandige evolutie tijdens de bezetting, zozeer zelfs dat men in het vonnis van een ‘opstand tegen de algehele verknechting van het nazisme’ zou spreken. Een andere factor was het ontbreken van enig bewijs voor lidmaatschap van paramilitaire organisaties. (…) Van SS-neigingen aan het einde van de oorlog kan al helemaal geen sprake zijn, als leden van het IJzerbedevaartcomité reeds in 1942 vaststelden dat Vercnocke op zijn schreden was teruggekeerd. (…) De figuur Vercnocke staat dus voor Vlaamse literaire collaboratie met het oog op Dietse zelfstandigheid.”[7]

Na de oorlogBewerken

Op 15 september 1944 werd hij, na de Bevrijding, aangehouden onder de beschuldiging dat hij zijn poëzie in dienst had gesteld van de bezetter en zich had bezondigd aan het schrijven van pro-Duitse artikelen in "Volk en Staat". Hij behoorde tot de beschuldigden die geoordeeld werden tijdens het proces van Volk en Staat en werd veroordeeld tot 12 jaar celstraf (10 jaar in beroep), maar kwam in 1949 vrij. Tijdens zijn gevangenschap schreef hij poëzie, die later verscheen in twee bundels: "Het Eiland Antilia" (1951), en "De Gouden Helm" (1951). Vercnocke werd tijdens deze periode op verschillende plaatsen geïnterneerd: IC Sint-Kruis (Brugge), IC Hemiksem (Sint-Bernardusabij), Gevangenis Begijnenstraat Antwerpen en IC Merksplas.

Ondertussen was hij, einde 1944, op het tableau van de Brugse balie geschrapt.

In 1964 kreeg hij eerherstel.[8]

In 1950 tekent hij de illustraties bij een heruitgave van Stijn Streuvels’ “Genoveva van Brabant” (uitg. "'t Leieschip-Kortrijk).

Op 29 september 1951 trouwde Vercnocke met de dichteres en leerkracht Simonne Wolfs (1919-2015) met wie hij in Weerde ging wonen. Het gezin kreeg twee kinderen. Zijn moeder overleed in 1951, zijn vader in 1960.

In deze periode werkte hij nog korte tijd mee aan het weekblad De Vlaamse Linie en het dagblad De Standaard. Hij schreef ook opnieuw spreekkoren voor de IJzerbedevaarten en de Vlaamse Nationale Zangfeesten.

In augustus 1955 is er de opvoering van het massaspel in openlucht Godelieve van Gistel waarvoor hij de tekst schreef in een regie van Remy Van Duyn.[9]

Tot zijn pensionering werkte hij als supervisor in het Brussels filmlaboratorium Meuter-Titra, waarnaast hij doorging met poëzie en vanaf de jaren 1970 vooral met schilderkunst (meer dan 300 werken).

 
Ferdinand Vercnocke Apocalyps, 1964, Olieverf op doek, 120 × 100cm.
 
Ferdinand Vercnocke, Blauwe Marine, 1979, Olieverf op doek, 100 × 80cm.
 
Ferdinand Vercnocke, gedicht De Pyramiede, 1946, Aquarel 35×27cm

Ter gelegenheid van zijn 80ste verjaardag werd Ferdinand Vercnocke gehuldigd in de Abdij van Grimbergen, waar zijn laatste bundel "De Aardse Staat" gepresenteerd werd. De laudatio werd uitgesproken door Anton Van Wilderode. Er was tevens een overzichtstentoonstelling van zijn schilderwerk.[10]

Twee jaar later overleed hij op 82-jarige leeftijd en werd op 18 mei 1989 begraven in Oostende (Begraafplaats Paster Pype) bij zijn ouders en oudste zus.

PublicatiesBewerken

PoëzieBewerken

  • Zeeland (1934)
  • De Geesel Gods (1936)
  • Nieuw Volk. Gedoemde grenzen (1937)
  • Kolga (1938)
  • Zeenacht - met muziek van Arthur Meulemans (1941)
  • Heervaart (1941)
  • Koning Skjold (1941)
  • Ask en Embla (1942)
  • Hansa (1943)
  • De Klokhofstee (onuitg.) (1944)
  • Het Eiland Antilia (1951)
  • De Gouden Helm (1951)
  • Het Houten Zwaard (1953 - kindergedichten, onuitg.)
  • Zee in het Westen (1954)
  • Land aan het Zwin (1961)
  • De stad in zee (1964)
  • Moederzee (1967)
  • Deltaland (1973 Poëtisch Erfdeel der Nederlanden)
  • De Geuzenpenning (1975)
  • De zeven zeeën (1976)
  • De aardse staat (1987)

ToneelBewerken

  • Als Roeland luidt (opvoering 1935, 1955)
  • Dampierre (opvoering 1938, 1941)
  • Magellaan (1943)
  • Ouders van Rubens (1946 - ook vertaald in het Engels)
  • Brief aan Goethe (1949)
  • Martinus. Spel van de arbeid. (1952)
  • De Rode Kaproenen (1952)
  • Ysersage (1953)
  • St.-Godelievespel (1953 - opvoering 1955)
  • De Grote Zwartrok (1953)
  • Karel De Stoute (1955)
  • Adele van Opwijk (1955)
  • Drie Volkse Spelen: Als Roeland luidt, Dampierre, De Rode Kaproenen (1956 - eigen beheer)
  • Held van Hiroshima (1956)
  • The A-Bomb (1956 - vertaling 'Held van Hiroshima')
  • De Stad (1957)
  • Karlemanje (1961)
  • Pieter Coutereel (1964)

ProzaBewerken

  • Liebaerts, sagen voor de Dietsche jeugd, 1937
  • Onze adelbrieven, 1942
  • Vlaanderen in nood (1942
  • Kapitein Kruyt, 1960 (roman)

OnuitgegevenBewerken

  • Ridder Dood en Duivel. Terugblik op mijn gebeurtenissen van 1939 tot 1949 (1966)
  • Brieven aan Atlantis. Jeugdherinneringen (1958)
  • Patricia. Brieven aan een kind. (1948)
  • Celbrieven (1944-1949)
  • Poëtisch celdagboek (1944-1949)
  • Liefdesbrieven (1950-1951)

LiteratuurBewerken

  • G. BILLIET, Ferdinand Vercnocke 70, in: Dietse Warande en Belfort, 1977
  • Juliaan Haest, Ferdinand Vercnocke, Antwerpen, Artiestenfonds, 1980.
  • Fernand BONNEURE, Ferdinand Vercnocke, in: Brugge Beschreven. Hoe een stad in teksten verschijnt, Brussel, Elsevier, 1984.
  • H. VAN DE VIJVER, Het cultureel leven tijdens de bezetting (België in de Tweede Wereldoorlog, nr. 8), 1990.
  • Elke BREMS, De Verkondiger van het bloed. De literaire opvattingen van Ferdinand Vercnocke in 'Volk en Staat', in: Driemaandelijks Tijdschrift van de Auschwitz-Stichting, 1996
  • Marnix BEYEN, Ferdinand Vercnocke, in: Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt, 1998
  • Carlos VAN LOUWE, Pieter Jan VERSTRAETE, De Oorlogsbedevaarten, Kroniek van de vergeten IJzerbedevaarten 1940-1944, Kortrijk Groeninghe, 2002, ISBN 9789071868641.
  • Frank-Rutger HAUSMAN, "Dichte, Dichter, tage nicht”, Die Europäische Schrifsteller Vereinigung in Weimar 1941-1948, 2004, ISBN 3-465-03295-0 .
  • Andries VAN DEN ABEELE, De Balie van Brugge, Brugge, 2009.
  • Ingeborg TIBAU, Ferdinand Vercnocke: als boegbeeld veroordeeld. Een geval van Vlaamse literaire collaboratie voor de krijgsraad, masterproef, KULeuven, Faculteit Letteren, 2019.
  • Wide Vercnocke, "Drieman", graphic novel, uitgeverij Bries, 2020, ISBN 9789461740328

Externe linkBewerken

TriviaBewerken

Diverse musici hebben een compositie geschreven op gedichten van Ferdinand Vercnocke. Zo heeft de Belgische folkgroep Laïs een compositie geschreven op het gedicht Bruidsnacht en is de zesde symfonie van Arthur Meulemans, de "Zeesymfonie" voor groot orkest, alt en gemengd koor, gebaseerd op een andere tekst van Vercnocke.

Ook de kleinkunstgroep "De Elegasten" brachten van "Bruidsnacht" al een versie in 1969.[11] Zijn kleinzoon Wide Vercnocke publiceerde in 2020 de graphic novel "Drieman" die het collaboratie verleden van zijn grootvader behandelt.