Hoofdmenu openen

Entgen Luyten

slachtoffer van heksenvervolging

Entgen Luyten (Lutterade, Limburg, ? – Limbricht, Limburg, 9 oktober 1674) was de laatste vrouw die als heks op het gebied van het huidige Nederland is vervolgd en gedood. Limbricht behoorde echter in 1674 niet tot de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, maar tot het hertogdom Gulik.

GeschiedenisBewerken

 
Kasteel Limbricht

Ten tijde van Herman Winand van Breyll werd in de zomermaanden van 1674 te Limbricht een heksenproces gevoerd. De verdachte was Entgen Luyten, weduwe van Jacobus Boven die Erdt. Zij was geboren in Lutterade, woonde geruime tijd in Valkenburg en vervolgens 44 jaar onafgebroken in Limbricht. Zij werd in juli 1674 op last van de schout en schepenen van Limbricht aangehouden op beschuldiging van “hexerei oder quaede Zauberei”. Zij werd gevangen gehouden in de kerker van kasteel Limbricht.

BeschuldigingBewerken

Op 21 juli werd Entgen Luyten voor het eerst verhoord door de fiscaal (rechterlijk ambtenaar) van het gerecht te Limbricht, Herman Tacken. Entgen Luyten ontkende zich aan hekserij of toverij schuldig te hebben gemaakt. Gedurende de rest van de maand werden verschillende getuigen gehoord en op 4 augustus werd de “Klaglibell” (beschuldiging) op schrift gesteld. Deze bevatte het verzoek aan de rechtbank om op 31, vaak nogal merkwaardige, punten te horen. Zo zou ene Gorten van Neusz, “bierhouder op Lichtenberg”, 26 jaar geleden zijn overleden nadat hij had gedronken uit dezelfde pot bier als waaruit Entgen Luyten een slok had genomen. Van Neusz beweerde tot het laatst toe dat hij door Entgen was betoverd. Hetzelfde zou zijn gebeurd met het meisje Aleth dat in 1658 (geheel gezond) naast de verdachten in het veld had gezeten maar onwel was opgestaan en “betoverd, lam en kreupel naar bed gedragen moest worden”. De betovering werd pas verbroken nadat Aleth bij Entgen “umb Gottes wille” om brood en zout had gebedeld en gekregen.
Daarna zouden drie koeien van Zietzen Bruggen, de vader van Aleth, door Entgen Luyten betoverd zijn en vervolgens overleden. Zietzen Bruggen maakte Entgen toen openlijk voor heks uit maar werd door haar aangeklaagd op 10 september 1668. Er werd bovendien 500 goudgulden schadevergoeding vereist. Na ongeveer een jaar staakte Entgen Luyten de vervolging, iets wat werd uitgelegd als een bekentenis.
Op grond van deze en andere soortgelijke punten met betrekking tot onder andere op raadselachtige wijze gestorven paarden, verzocht aanklager Herman Tacken, de verdachte op de pijnbank tot bekentenis te dwingen.

HeksenprocesBewerken

Op 4 augustus 1674 werd Entgen Luyten door schout en schepenen van Limbricht verhoord. Zij ontkende alle haar ten laste gelegde punten. Schout en schepenen gaven opdracht tot nader verhoor. De zaak bleef maanden voortslepen en Entgen Luyten raakte door haar verblijf in de kerker van kasteel Limbricht zowel geestelijk als lichamelijk volkomen ontredderd. Op 3 oktober werd zij, volgens een besluit van de rechtbank, door een onpartijdige rechtsgeleerde, Nicolaus Helgers, opnieuw ondervraagd. Zes dagen later werd zij echter dood in haar cel aangetroffen. De lijkschouwer stelde vast dat de vrouw “gestranguleert ofte verworght” was. De rechtbank hield het op zelfmoord, ondanks dat eerder het tegendeel uit het rapport van de lijkschouwer viel op te maken. In een door Nicolaus Helgers uitgebracht advies werd echter beredeneerd dat een zelfmoord als een schuldbekentenis kon worden uitgelegd. Deze redenering was de Limbrichtse rechtbank niet onwelgevallig.

Helgers adviseerde ten aanzien van het vonnis dat het lijk door de beul met paarden naar de galg gesleept moest worden om daar te worden begraven. De galg stond in Einighausen, langs de tegenwoordige Bergerweg. De plaatsnaam Aan de Galling herinnert daar nog aan. De vraag of sprake is geweest van een zelfmoord dan wel van een gerechtelijke moord, blijft onbeantwoord.