Hoofdmenu openen

Dode hand (eigendom)

(eigendom)

Een eigendom in dode hand was in de middeleeuwen een domein of een onroerend goed dat niet vererfd kon worden. Meestal ging het om kerkelijke goederen maar ook stichtingen en liefdadigheidsinstellingen zoals armenhuizen en weeshuizen konden (en kunnen vandaag nog) eigendommen verwerven in dode hand.

Dit type van eigendom had zijn oorsprong in het leenstelsel. Als een leenheer zijn bezit in leen gaf aan een kloostergemeenschap of een kapittel kwam er een einde aan de vererving van het goed, het overlijden van de abt had geen enkele invloed op de eigendoms- of uitbatingrechten van het domein. Men noemde dit type van in leen geven Amortificatie. Goederen kwamen ook in dode hand door erflating, een kloosterling kon zijn erfdeel nalaten aan het klooster.

De bezittingen in dode hand waren niet in het voordeel van de maatschappij in het algemeen. De grond die verworven was door een kloostergemeenschap was niet vrijelijk beschikbaar voor de bevolking. Ze brachten voor de heer geen belastingen meer op zodat het benodigde geld door de gewone belastingplichtigen moest worden opgebracht.[1]

Vanaf de 14e eeuw gaan de koningen stilaan hun centrale macht uitbreiden en gaat de feodaliteit achteruit ten gunste van het centrale gezag. De nieuwe centrale heersers gaan ook de immuniteit van de kerk en de uitbreiding van het bezit in dode hand trachten in te tomen. Karel V verordende in 1515 bij zijn aantreden een belasting op alle onroerend goed dat in de afgelopen veertig jaar in dode hand was terechtgekomen. Karel eiste vijf procent van de jaaropbrengsten van de laatste veertig jaar, met andere woorden twee keer de volledige jaaropbrengst.[2][3] Maar ook de strijd van Filips IV van Frankrijk tegen de Tempeliers had ongetwijfeld een en ander te doen met de meer dan 800 commanderijen die de orde in Frankrijk bezat.[4][5]

Keizer Jozef II op zijn beurt, schafte tussen 1783 en 1785 alle contemplatieve kloosterordes in de Zuidelijke Nederlanden af, omdat ze nutteloos waren geen belastingopbrengsten leverden en dus de belangen van de gemeenschap schaadden.[6] De Franse revolutionairen maakten in 1796 het werk af door de afschaffing van de resterende kloosterordes.

Ook vandaag spreekt men nog over eigendommen in dode hand maar dat heeft dan betrekking op gebouwen, eigendom van publiekrechterlijke personen, die vrijgesteld zijn van de Belgische onroerende voorheffing. De gemeenten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die hierdoor inkomsten moesten derven werden hiervoor schadeloos gesteld door de financieringswet van 1989 ter compensatie voor de dode hand.[7]