Hoofdmenu openen

Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten

Nederlandse organisatie
Een olietank in Rotterdam Botlek

De stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) is in opdracht van de Nederlandse overheid verantwoordelijk voor het (laten) aanhouden van voorraden aardolieproducten tegen zo laag mogelijke kosten. Landen zijn op grond van internationale afspraken verplicht om een strategische (nood)voorraad aardolieproducten aan te houden. In de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001 (Wva 2001) is dit geregeld voor Nederland.

Inhoud

AchtergrondBewerken

In 1973 en 1974 was er een oliecrisis in de Westerse wereld. De leden van de Organisatie van Arabische Olie-exporterende Landen (OAPEC, bestaande uit de Arabische leden van de OPEC plus Egypte en Syrië) boycotten landen die Israël steunden in zijn conflict met Syrië en Egypte. Deze beslissing trof de Verenigde Staten, diverse bondgenoten in West-Europa, waaronder Nederland en Portugal, en Japan.

De Europese landen toonden weinig solidariteit tijdens de boycot. Frankrijk, Italië en West-Duitsland, concentreerden zich op het verzekeren van hun eigen olievoorziening, en sloten bilaterale contracten met olieproducerende landen. Om de Arabische invloed in Europa te beperken, organiseerden de Verenigde Staten in februari 1974 een energieconferentie. Deze bijeenkomst leidde in november 1974 tot de beslissing het Internationaal Energie Agentschap (IEA) op te richten door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de totstandkoming van het Internationale Energie Programma (IEP)[1].

Het IEP verdrag kent drie typen noodmaatregelen, namelijk:

  • het aanhouden van noodvoorraden;
  • het verlagen van de consumptie, en
  • het herverdelen van de beschikbare olie.

In het geval van een noodsituatie hebben de deelnemers de mogelijkheid om gezamenlijk een of meer van deze maatregelen te effectueren. De gecoördineerde en tijdige inzet van deze maatregelen zal leiden tot extra aanbod uit de aangehouden oliereserves en een lagere vraag waardoor olieprijsstijgingen én schade voor de economie worden beperkt[1]. In Nederland wordt de Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) belast met de uitvoering van de noodvoorraden.

Daarnaast besluiten de OPEC-leden in dezelfde periode om de olieprijzen wereldwijd te verhogen. Door de grote afhankelijkheid van de geïndustrialiseerde landen van aardolie leiden deze prijsstijgingen tot een grote inflatie in deze landen. De getroffen landen reageren met een breed scala aan nieuwe en doorgaans duurzame initiatieven om hun energie-afhankelijkheid te beheersen.

Nederlandse voorraadverplichtingenBewerken

In IEA-verband is een voorraadverplichting afgesproken, die gelijkstaat aan 90 dagen (was 60 dagen voor 1980) binnenlands verbruik in het voorgaande kalenderjaar. Binnen de EU zijn ook afspraken gemaakt. De voorraadverplichtingen in EU-kader (Richtlijn 68/414/EEG) zijn minder streng. Het COVA dient aan de regelgeving van beide te voldoen.

Vanaf 1 januari 2013 zal de systematiek van de Europese voorraadverplichtingen veranderen en gelijk worden aan die van het IEA. De EU wil dat de strategische olievoorraad direct beschikbaar en inzetbaar is. Volgens de nieuwe richtlijn zullen de EU-lidstaten als dekking voor minimaal 30 verbruiksdagen hetzelfde olieproductpakket in voorraad moeten hebben als het binnenlands verbruik. Deze nieuwe EU-richtlijn moet uiterlijk vanaf 1 januari 2013 in werking treden en de Nederlandse staat zal de wetgeving hierop aanpassen. Het kabinet wil tegelijk de mogelijkheid benutten om de verplichting om voorraden aan te houden door particuliere olieproducenten en handelaren tegen het licht houden[2].

Verplichting volgens IEA in 2011:

  • Totale nationale olievoorraad: 4.500.000 ton ruwe olie-equivalent.

De voorraadverplichtingen in EU-kader bedroegen in 2011 in totaal 3.109.000 ton product, als volgt verdeeld over drie categorieën:

De grootte van de voorraden wordt per categorie vastgesteld door het Ministerie van Economische Zaken (EZ). De nationale voorraadplicht ligt voor ca. 15% bij het oliebedrijfsleven en voor ca. 85% bij de overheid.

In tijden van een plotselinge of dreigende olieaanvoeronderbreking zullen de IEA-landen gezamenlijk besluiten op welke wijze, in welke hoeveelheden en op welk moment, deze oliecrisisvoorraden op de markt zullen worden afgezet.

OrganisatieBewerken

COVA is een non-profitorganisatie die vrijgesteld is van vennootschapsbelasting. De statuten en reglementen van het COVA moeten goedgekeurd worden door de minister van EZ. Deze moet tevens zijn goedkeuring geven aan de jaarlijkse begroting en aan het jaarverslag.

Het bestuur van COVA bestaat uit ten minste drie en ten hoogste zeven leden die worden benoemd door de minister van EZ. Eén lid en zijn plaatsvervanger wordt aangesteld in overleg met de minister van Financiën.

OpslagfaciliteitenBewerken

COVA bezit zelf geen opslagfaciliteiten. Een van de taken van de operationele afdeling van het COVA is daarom het selecteren van geschikte opslagbedrijven tegen zo laag mogelijke kosten voor de noodvoorraad olie van de Nederlandse staat. Hiertoe worden aanbestedingen gehouden, via welke de opslagbedrijven zich kunnen kwalificeren voor opdrachten. Dit systeem verzekert dat de opslag tegen de laagst mogelijke kosten en concurrerende prijzen geschiedt. De aardolie wordt zowel in Nederland opgeslagen in diverse terminals, maar ook in het buitenland. Een deel van de Nederlandse olie is opgeslagen in zoutmijnen in Noord-Duitsland omdat dit aanzienlijk goedkoper is dan opslag boven de grond. Gasolie en benzine worden hoofdzakelijk in Nederland opgeslagen.

Papieren voorraadBewerken

Naast de zogenaamde fysieke voorraad is er een gedeelte in de vorm van optiecontracten (zogenaamde "tickets"). Dit zijn contracten met derden voor het, op verzoek van COVA, leveren van olieproducten tegen de dan geldende markttarieven. Deze contracten worden ook tot de voorraad gerekend. In vergelijking tot de inkoop van fysieke voorraden worden tickets aangegaan op basis van een tenderprocedure. Voor deze procedure komen ongeveer twaalf marktpartijen in aanmerking en in het algemeen ontvangt COVA aanbiedingen van vijf tot acht partijen[1]. Belangrijke factoren die een rol spelen bij het aangaan of verlenging van een ticket zijn de prijzen en beschikbaarheid, en de kosten voor aanschaf en opslag van fysieke voorraden. Deze laatste kosten zijn veelal hoger dan die van tickets. In de jaren 2002-2005 werd tussen de 15% en 20% van de totale voorraadverplichting aangehouden in de vorm van tickets[1].

FinancieringBewerken

ExploitatiekostenBewerken

Over elke getankte liter benzine of diesel heft de overheid drie verschillende belastingen. Een daarvan is de voorraadheffing, waarmee de exploitatie-, inclusief financieringskosten, van het COVA worden gedekt. De olieindustrie krijgt geen vergoeding.

Per 1 augustus 2009 bedraagt de heffing, conform de Wva 2001, voor:

  • lichte olie, per 1000 liter bij een temperatuur van 15 graden Celsius € 5,90
  • halfzware olie, per 1000 liter bij een temperatuur van 15 graden Celsius € 5,90
  • gasolie, per 1000 liter bij een temperatuur van 15 graden Celsius € 5,90
  • vloeibaar gemaakt petroleumgas, per 1000 kilogram € 5,90.

De heffing kan aangepast worden door een Algemene Maatregel van Bestuur. De voorraadheffing bedroeg € 5,30 / m³ in 2006 wat neerkwam op € 82 miljoen in totaal.

De operationele kosten in 2006 bedroegen € 79 miljoen, als volgt verdeeld:

  • Opslagkosten (inclusief verzekering en inspecties): € 39 miljoen
  • Vergoedingen voor tickets (opties): € 17 miljoen
  • Financieringskosten (voornamelijk rente over leningen): € 22 miljoen
  • Operationele uitgaven/organisatie/overhead: € 1 miljoen.

LeningenBewerken

De middelen die benodigd zijn voor aankopen van olie bestaan altijd uit een mix van lange- en kortetermijnleningen. COVA was tot 2003 hoofdzakelijk actief in de geld- en kapitaalmarkt via banken. Na 2003 worden de meeste leningen gefinancierd door het ministerie van Financiën. Deze leningen (€ 552 miljoen in 2006) worden gegarandeerd door een borg van het ministerie van EZ. De financieringsinstrumenten van het Rijk zijn zeer kostenefficiënt en worden verkregen tegen gunstige tarieven. Hierdoor worden de financieringskosten zo laag mogelijk gehouden.

Externe linkBewerken