Bodo Uhse

Duits politicus
Bodo Uhse op het Duitse Schrijverscongres 1950

Bodo Uhse (Rastatt, 12 maart 1904Oost-Berlijn, 2 juli 1963) was een (Oost-)Duits schrijver, journalist en politiek activist.

BiografieBewerken

Uhse was de zoon van een Pruisische officier. Zijn jeugd bracht hij door op de verschillende standplaatsen van zijn vader. Nadat zijn ouders waren gescheiden woonde hij in Braunschweig bij zijn grootouders en sloot zich bij de Wandervogel aan.

Zijn eerste doel was om officier te worden. Na de ineenstorting van het Duitse Rijk in 1918 waren dergelijke verwachtingen om officier te worden onmogelijk geworden, en hij bleef bij zijn vader in Berlijn, waar hij een middelbare school bezocht. Daar maakte hij contact met paramilitaire organisaties en nam in 1920 als 16-jarige deel aan de Kapp-Putsch.

Loopbaan als journalistBewerken

In 1921 was hij volontair bij de dagbladredactie van het Bamberger Tagblatt, dat in het bezit was van tabaksindustrieel Baron Michel Raulinos. In datzelfde jaar trad hij toe tot de Bund Oberland, waar hij veel persoonlijkheden van de Duitse nationale en etnische beweging leerde kennen, zoals Julius Streicher. Bij de opmars door de Bund Oberland waren er verscheidene botsingen met de communisten en sociaaldemocraten als gevolg van de houding ten aanzien van de kwestie van de Franse bezetting van het Ruhrgebied, ook met de nazi's, waar Uhse bij betrokken was. Pas later verbond de Bund Oberland zich met de nazipartij . De in 1927 afgestudeerde Uhse was bij de linkervleugel van de NSDAP partijlid geworden en werkte bij de redactie van het nazi-orgaan Donauboten in Ingolstadt. Hij was een protegé van de gebroeders Strasser en snel was hij hoofdredacteur van die krant. Toen hij in 1928 tegen de kandidatuur van de nazi Franz Ritter von Epp protesteerde, in zijn ogen een reactionair, werd hij ontslagen. Door Gregor Strassers bemiddeling, ging hij naar Sleeswijk-Holstein, waar in Itzehoe in 1929 een nieuw blad, de Schleswig-Holsteinische Tageszeitung was opgericht, hij zou dat als hoofdredacteur gaan leiden. Daar kwam hij in conflict met de Gauleiter Hinrich Lohse toen hij een bijdrage afwees die tegen de militante boerenbeweging was gericht. Uhse stuurde het blad steeds meer naar een linkse koers. In 1929, als Uhse als NSDAPer in de gemeenteraad van Itzehoe werd verkozen, raakte hij bevriend met de communist Bruno Salomon. Het resultaat was het bestuderen van de geschriften van Lenin en in 1930 kwam de publicatie van het bijblad Der Proletarier, die tegen Adolf Hitlers burgerlijke koers was gericht. Terwijl hij ook met anderen sprak over een splitsing van de NSDAP, kwam er een definitieve breuk op 1 augustus 1930. Uhse sloot zich toen aan bij de splintergroep van de Revolutionäre Nationalsozialisten , werd daar chefredacteur van de NS-brieven en vierde de strijd van de Landvolkbewegung. Echter, dit was slechts een tussenstop, om uiteindelijk over te stappen naar de Communistische Partij die in 1930 een sterke nationalistische verklaring in hun partijprogramma had opgenomen.

Verbannen uit DuitslandBewerken

Na de Rijksdagbrand in 1933 kwam Uhse evenals andere communisten onder de druk van de nationaalsocialisten en ging op het laatste moment naar Parijs. Hier werd hij een prominent publiciteitsvertegenwoordiger van de Communistische Partij in Ballingschap tegen het Derde Rijk en onderhield banden met Ernst Niekisch. In Parijs bij uitgeverij Carrefour werd in 1935 zijn eerst exil-roman Söldner und Soldat uitgegeven. Ook in Moskou verscheen deze titel in 1935. In 1934 werd hij verbannen uit Duitsland en in 1935 werd hij lid van de Communistische Partij in Ballingschap. In juni van dat jaar, nam hij met Johannes R. Becher en Bertolt Brecht deel aan het Eerste Internationale Schrijvers Congres. Bij het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog gaf hij zich op als vrijwilliger en werd politiek commissaris. In 1938 keerde hij ziek terug naar Frankrijk, emigreerde in 1939 naar de Verenigde Staten , waar hij ook werkte voor de communistische partij, en ging in 1940 verder naar Mexico, waar hij en Ludwig Renn in het Nationalkomitee Freies Deutschland actief waren. Vervolgens organiseerde hij uitreisvisa naar Mexico voor bedreigde antifascistische schrijvers in Frankrijk sinds de invasie van Hitler-Duitsland in mei 1940, wachtend op een kans om te emigreren. In Mexico verscheen zijn tweede exil-roman Leutnant Bertram in 1943 bij El Libro Libre. In 1945 trouwde hij met Alma Uhse Agee, een Amerikaanse van Joodse afkomst.

Uhse in de DDRBewerken

In 1948 kwam Uhse met zijn vrouw, en haar zoon uit haar eerste huwelijk Joel Agee, en hun zoon Stefan naar Duitsland en vestigden zich in de Sovjetzone waar hij in 1949 redacteur van het culturele en politieke maandblad Aufbau werd en dat bleef tot 1958. Van 1950 tot 1954 was Uhse lid van de SED in de Volkskammer, en van 1950 tot 1952 eerste voorzitter van de Duitse schrijversbond. In 1956 nam hij de functie aan van secretaris van de sectie dichtkunst en taal van de Academie van Beeldende Kunsten en was vertegenwoordiger bij het DDR PEN congres in Londen. Toen in 1956 de misdaden van Stalin bekend werden, leidde dat tot een diepe crisis bij Uhse, vooral omdat hij in een trilogie het heldhaftige anti naziverzet in Duitsland en de leidende rol van de Sovjet-Unie wilde loven. Zijn stiefzoon, Joel Agee schreef na zijn dood, dat hij in een dronken toestand sprak van dat zijn leven verpest was, zijn talent verspilt en zijn ziel aan de "bastaard Stalin" te hebben verkocht. In 1960 mislukte zijn huwelijk, waarna Alma Agee met haar twee zoons naar New York terugging. Na een verblijf in Cuba in 1961 werd Uhse ernstig ziek, mede veroorzaakt door zijn leven als kettingroker en alcoholist. Veel van zijn activiteiten moest hij laten varen. Uhse stierf aan een beroerte. Hij werd op het Dorotheenstädtischer Friedhof begraven.

Geselecteerde bibliografieBewerken

Exil-romans

  • Söldner und Soldat. Roman, 1935 (Carrefour, Parijs)
  • Leutnant Bertram. Roman, 1943 (El Libro Libre, Mexico)

Andere werken

  • Wir Söhne. Roman, 1948
  • Die heilige Kunigunde im Schnee und andere Erzählungen, 1949
  • Landung in Australien. Reisebericht, 1950
  • Die Brücke. 3 Erzählungen, 1952
  • Die Patrioten. Roman, 1954
  • Tagebuch aus China, 1956
  • Mexikanische Erzählungen, 1957
  • Die Aufgabe. Eine Kollwitz-Erzählung, 1958
  • Gestalten und Probleme, 1959
  • Reise in einem blauen Schwan. Erzählungen, 1959
  • Sonntagsträumerei in der Alameda, 1961
  • Im Rhythmus der Conga. Ein kubanischer Sommer, 1962

LiteratuurBewerken

  • Renata von Hanffstengel: Mexiko im Werk von Bodo Uhse. Das nie verlassene Exil.Lang, New York u.a 1995. (= Exil-Studien; 4) ISBN 0-8204-2683-0
  • Patrick Moreau: Nationalsozialismus von links. Die ‚Kampfgemeinschaft Revolutionärer Nationalsozialisten‘ und die ‚Schwarze Front‘ Otto Straßers 1930–1935.. Dt. Verl.-Anst., Stuttgart 1985. (= Studien zur Zeitgeschichte; 28) ISBN 3-421-06192-0
  • Lenka Reinerová: Es begann in der Melantrichgasse. Erinnerungen an Weiskopf, Kisch, Uhse und die Seghers. Aufbau-Verlag, Berlin u. a. 1985.
  • Walter Schlevoigt: Untersuchung zu den Romanen ‚Leutnant Bertram‘, ‚Wir Söhne‘ und ‚Die Patrioten. Erstes Buch: Abschied und Heimkehr‘ von Bode Uhse und zur öffentlichen Verständigung über diese Romane bis Anfang der achtziger Jahre. Magdeburg, Hochsch. Diss. 1986.
  • Susanne Römer, Hans Coppi junior : AUFBRUCH. Dokumentation einer Zeitschrift zwischen den Fronten (Reprint). Fölbach Verlag, Koblenz 2001, ISBN 3-923532-70-9; Vorwort von Prof. Dr. Peter Steinbach
  • Birgit Schmidt: Wenn die Partei das Volk entdeckt. Anna Seghers, Bodo Uhse, Ludwig Renn u. a. Ein kritischer Beitrag zur Volksfrontideologie und ihrer Literatur. Unrast, Münster 2002. ISBN 3-89771-412-4
  • Klaus Walther: Bodo Uhse, Leben und Werk.Volk u. Wissen, Berlin 1984. (= Schriftsteller der Gegenwart; 13)
  • Günter Caspar : Über Bodo Uhse. Ein Almanach. Aufbau, Berlin u. a. 1984.
  • Kay Donhnke: Von den merkwürdigen Memoiren eines jungen Mannes. Bodo Uhses Exilroman "Söldner und Soldat" als Dokument deutscher Geschichte, Nachwort in: Bodo Uhse, Söldner und Soldat, Berlin und Weimar: Aufbau-Verlag, 1974, S. 299 - 325.