Bergisch

Het Bergisch is een Zuid-Nederfrankisch[1] dialect dat gesproken wordt in een deel van het Bergische Land.

- HET LIMBURGS TAALLANDSCHAP -
Het Maas-Rijnlandse dialectcontinuüm

KenmerkenBewerken

Het Maas-Rijnlandse Bergisch wordt aan het rechteroever van de Rijn gesproken. Dit gebied bestaat uit het grootste deel van de Kreis Mettmann, een klein gebied van Düsseldorf en delen van de steden Solingen, Remscheid, Essen (Essen-Werden), Oberhausen, Mülheim an der Ruhr[Mölmsch] en Wuppertal (met Barmen, Cronenberg, Elberfeld en Ronsdorf). De dialecten in dit gebied zijn nauw verwant met het Oost-Limburgs, dat zowel in Nederland als in Duitsland gesproken wordt, en vormen de uitloper van het Oostlimburgs-Ripuarisch.

In Velbert-Langenberg en Gummersbach wordt geen Bergisch gesproken.

De grens tussen het Oostbergisch (gedeeltelijk overlappend met het Bergisch) en andere vormen van het Bergisch wordt bepaald door de Uerdinger linie, de scheidslijn tussen het Limburgse ich en het Nederlandse ik. Deze loopt op Nederlandstalig gebied vanaf Leuven naar Roermond en Venlo, dan via Viersen naar de Rijn, die zij oversteekt tussen Krefeld-Uerdingen en Duisburg-Mündelheim en voert via dan Saarn (stadsdeel van Mülheim aan de Ruhr) door het Bergische land naar Kettwig (deel van Essen) en Elberfeld (deel van Wuppertal). Daar valt zij samen met de Benrather linie of „maken-/machen-linie“. Deze gecombineerde isoglosse loopt vervolgens ten zuiden van Gummersbach en Wiedenest (deel van Bergneustadt) verder oostwaarts, richting Kassel (deelstaat Hessen) en verder.

 
Ik / ich - isoglosse in Limburg en Duitsland. Het westelijke, donkerrode gedeelte is de Uerdinger linie, helderrood is de samenloop daarvan met de Benrather linie

VoorbeeldBewerken

Het Velberter Platt is een Bergische overgangsdialect dat zowel Nederfrankisch-Kleverlandse alsook Nedersaksisch-Westfaalse eigenschappen vertoont.

Hoogduits Bergisch (Velbert) Westfaals
wir kochen wir koken wi kuoket
ihr kocht jöt koken jit kuoket
sie kochen si koken se kuoket

VariantenBewerken

Onderling zijn er kenmerkende verschillen. Deze laten zich illustreren aan de wijze waarop diminutieven worden gevormd (naar Wenker 1877)[2]:

  1. Het Mettmanner dialect kent na woorden die op -k, -g, -ch, -ng eindigen, het verkleinsuffix -sken (meervoud -skes, dus bijvoorbeeld dat Bänksken, die Bänkskes (Hoogduits das Bänkchen, die Bänkchen), na andere woorden krijgt het -ken en -kes, dus dat Bömken, die Bömkes (Bäumchen).
  2. het Solinger dialect heeft dat Bänksken, maar die Bänksker, dus met r en niet met s in het meervoud, zo ook dat Bömken, die Bömker.
  3. Het Remscheider heeft dat Bänkelschen, die Bänkelscher, dus geen -sken maar -elschen, en in het meervoud geen -s maar -r, voorts dat Bömken, die Bömker, zoals het Solinger.

LiteratuurBewerken

  • Georg Wenker: „Das rheinische Platt“, (Sammlung deutsche Dialektgeographie Heft 8), Marburg, 1915.
  • Georg Cornelissen, Peter Honnen, Fritz Langensiepen (Hrsg.): Das rheinische Platt. Eine Bestandsaufnahme. Handbuch der rheinischen Mundarten Teil 1: Texte. Rheinland-Verlag, Köln. 1989. ISBN 3-7927-0689-X
  • Maria Loiuse Denst: Olper Platt - Bergisches Mundart-Wörterbuch für Kürten-Olpe und Umgebung. Schriftenreihe des Bergischen Geschichtsvereins Abt. Rhein-Berg e. V. Band 29. Bergisch Gladbach 1999. ISBN 3-932326-29-6
  • Hans Bruchhausen und Heinz Feldhoff: Us Platt kalle un verstonn - Mundartwörterbuch Lützenkirchen-Quettingen. Bergisch Gladbach 2005. ISBN 3-87314-410-7
  • Julius Leithäuser: „Wörterbuch der Barmer Mundarten nebst dem Abriß der Sprachlehre“ [Wuppertal-] Elberfeld, 1929.
  • Julius Leithäuser: „Nachträge zum Barmer Wörterbuch“ Wuppertal-Elberfeld, 1936.
  • F. W. Oligschläger: „Wörterbuch der Solinger Volkssprache“
  • Rudolf Picard: „Solinger Sprachschatz, Wörterbuch und sprachwissenschaftliche Beiträge zur Solinger Mundart“, Duisburg, 1974.
  • Leo Lammert und Paul Schmidt: Neunkirchen-Seelscheider Sprachschatz, herausgegeben vom Heimat- und Geschichtsverein Neunkirchen-Seelscheid 2006. (ca. 7300 Wörter)
  • Gustav Hermann Halbach: Bergischer Sprachschatz - Volkskundliches plattdeutsches Remscheider Wörterbuch. Remscheid 1951
  • Erich Leihener: „Cronenburger Wörterbuch“ (Deutsche Dialektgeographier, Band 2) Marburg 1908
  • Theodor Branscheid (Hrsg): „Oberbergische Sprachproben. Mundartliches aus Eckenhagen und Nachbarschaft.“ Band 1, Eckenhagen, 1927.
  • Hermann Bredtmann: „Die Velberter Mundart. Ein kurzer Abriß der Laut- und Formenlehre nebst einem Wörterverzeichnis.“ Wuppertal, 1938.
  • Bruno Buchrücker: „Wörterbuch der Elberfelder Mundart nebst Abriß der Formenlehre und Sprachproben.“ [Wuppertal-] Elberfeld, 1910.
  • August Diesdrichs: „Beitrag zu einem Wörterbuch der Remscheider Mundart“. Remscheid, 1910.
  • Manfred Konrads: Wörter und Sachen im Wildenburger Ländchen, Rheinland-Verlag, Köln, 1981
  • Dr. Hermann Bredtmann: Die Velberter Mundart, Wuppertal-Elberfeld, 1938 *
  • Helmut Fischer: 'Wörterbuch der unteren Sieg. Rheinische Mundarten. Beiträge zur Volkssprache aus den rheinischen Landschaften Band 4. Rheinland Verlag, Köln, 1985. ISBN 3-7927-0783-7

NootBewerken

  1. Jan Goossens, 1965, Die Gliederung des Südniederfränkischen, in Rheinische Vierteljahrsblätter, 30: 79-94
  2. Georg Wenker (1852–1911): Das rheinische Platt 1877; in originele spelling

Externe linksBewerken